Nauwelijks vrouwelijke hoogleraren bij grote advocatenkantoren

Beeld: Pixabay

De Brauw Blackstone Westbroek heeft van de top-tien kantoren in absolute cijfers de meeste hoogleraren onder hun juristen, direct gevolgd Loyens & Loeff. Dat kantoor heeft relatief – afgezet tegen het aantal advocaten en notarissen in dienst – de meeste hoogleraren, pal voor Stibbe. Slechts zes procent van de hoogleraren ‘in dienst’ van de grote kantoren is vrouw.

© Michel Knapen 

Ooit was het bon ton om de namen van alle advocaten en notarissen op het briefpapier van het kantoor te zetten, liefst met alle denkbare academische titels. Maar omdat er tegenwoordig vaak wordt ‘overgelopen’, is dat ondoenlijk geworden. Ook advocaten die hoogleraar zijn, stappen wel eens over. Zo verhuisde Sharon Oded op 1 maart 2019 van De Brauw Blackstone Westbroek naar Norton Rose Fulbright; hij is tevens bijzonder hoogleraar Corporate Compliance and Enforcement aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
De Brauw mag dan wel een hoogleraar hebben verloren, er blijven er nog elf over – allen mannen. Daarmee voert De Brauw de lijst aan met de meeste professoren in hun gelederen. De meest recente benoeming is die van Sven Dumoulin (hoogleraar internationaal ondernemingsrecht, VU). Daarnaast zitten er nog Harm-Jan de Kluiver (ondernemingsrecht, UvA), René Maatman (vermogensbeheer, Nijmegen), Reinout Vriesendorp (insolventierecht, Leiden), Martin van Olffen (ondernemingsrecht, Nijmegen), Jonathan Soeharno (rechtspleging, UvA), Stefan Sagel (arbeidsrecht, Leiden), Roan Lamp (financieel strafrecht, VU), Frank Pötgens (internationaal en Europees belastingrecht, VU), Jan de Bie Leuveling Tjeenk (corporate litigation, VU), en Tobias Cohen Jehoram (intellectueel eigendomsrecht, Rotterdam). Buitenlandse (vaak tijdelijke) leerstoelen van gasthoogleraren, zoals die van Omar Salah (islamitisch financieel recht, Madrid), tellen we in dit overzicht niet mee.
Loyens & Loeff heeft tien hoogleraren op de loonlijst staan, en opvallend is het grote aantal dat zich bezighoudt met belastingrecht. Zoals Dennis Weber (Europese ondernemingsbelastingen, UvA), Maarten de Wilde (Europees en internationaal belastingrecht, Rotterdam), Ton Stevens (vennootschapsbelasting, Tilburg), Arco Bobeldijk (vennootschapsbelasting, Nyenrode), Rob Cornelisse (belastingrecht, UvA) en Raymond Luja (rechtsvergelijkend belastingrecht, Maastricht). Daarnaast zijn er nog Gert-Wim van de Meent (Europees en nationaal aanbestedingsrecht, UvA), Niek Zaman (notarieel ondernemingsrecht, Leiden), Wilco Oostwouder (bedrijfsfinancieel recht, Utrecht) en dan de eerste vrouw: Kitty Lieverse (financieel toezichtsrecht, Nijmegen).
Stibbe heeft acht hoogleraren, ook allen man: Jaap van Slooten (arbeidsrecht, UvA), Jeroen Kortmann (Europees aansprakelijkheidsrecht, UvA), Rein Wesseling (mededingingsrecht en regulering, UvA), Rogier Raas (Nederlands en Europees bank- en effectenrecht, Leiden), Daan Doorenbos (ondernemingsstrafrecht, Nijmegen), Steven Hijink (jaarrekeningenrecht, Nijmegen), Tom Barkhuysen (staats- en bestuursrecht, Leiden) en Manuel Lokin (ondernemingsrecht).
NautaDutilh heeft zeven hoogleraren, ook allen man: Pim Rank (financieel recht, Leiden), Geert Raaijmakers (ondernemings- en effectenrecht, VU), Charles Gielen (intellectueel eigendomsrecht, Groningen), Gerard Meijer (arbitration & dispute resolution, Rotterdam), Teun Struycken (Europees goederenrecht, Utrecht), Toon van Mierlo (burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht Rotterdam én Groningen) en Bastiaan Assink (ondernemingsrecht, Rotterdam).
AKD heeft vijf hoogleraren, waarvan één vrouw: Gerdien van der Voet (bijzondere arbeidsverhoudingen: de zeevarende, Rotterdam). Daarnaast nog Gerrit van der Veen (milieurecht, Groningen), Reinout Wibier (privaatrecht, Tilburg), Pieter Kuypers (Europees en nationaal aanbestedingsrecht, Nijmegen) en René van der Paardt (verbruiksbelastingen, Rotterdam).
Allen & Overy heeft drie hoogleraren – ooit vier, totdat Ferdinand Grapperhaus (arbeidsrecht) naar Den Haag verhuisde. De drie overige zijn Sigrid Hemels (belastingrecht, Rotterdam), Gerard van Solinge (ondernemingsrecht, Nijmegen) en Günther Rensen (ondernemingsrecht, Utrecht). Ook Pels Rijcken heeft drie hoogleraren: Martijn Scheltema (privaatrecht, Rotterdam), Erik Vermeulen (bedrijfs- en financieel recht, Tilburg) en Gerrit-Jan Zwenne (recht en de informatiemaatschappij, Leiden).
Houthoff en Clifford Chance moeten het doen met ieder twee hoogleraren. Bij Houthoff zijn dat Rolef de Weijs (nationaal en internationaal insolventierecht, UvA) en Marielle Koppenol-Laforce (internationaal commercieel contracteren, Leiden). Bij Clifford Chance zijn dat Dennis Faber (onderneming en recht, Nijmegen) en Rick Verhagen (internationaal privaatrecht, rechtsvergelijking en burgerlijk recht, Nijmegen). Tot slot Van Doorne: daar zit als enige hoogleraar Bas van Zelst (Dispute Resolution and Arbitration, Maastricht).

Kleinere kantoren
Maar er zijn ook hoogleraren die gelieerd zijn aan een kleiner kantoor. Dat zijn bijvoorbeeld Steef Bartman (concernaansprakelijkheid, Maastricht), verbonden aan zijn eigen kantoor Bartman Company Law. Bas Steins Bisschop (ondernemingsrecht en corporate governance, ook Maastricht) is ook advocaat bij Steins Bisschop & Schepel Advocaten. Guido de Bont (formeel belastingrecht, Rotterdam) is verbonden aan zijn eigen kantoor De Bont Advocaten en Jan Paul Franx (effectenrecht, Groningen) zit bij FG Lawyers. Deze laatste is een advocaat die nadien (ook) hoogleraar werd – dat geldt ook voor Thijs van Zanten (Wijn & Stael), die in Groningen hoogleraar Overeenkomst en Zekerheid is. Een vergelijkbare leerstoel (Financiering, zekerheden en insolventierecht) bekleedt Jako van Hees in Nijmegen; hij is tevens advocaat bij Resor. Dat geldt ook voor Michael Veder (Resor en hoogleraar insolventierecht in Nijmegen).
Overigens, ook kleinere kantoren hebben vaak meerdere hoogleraren op de loonlijst staan. Denk aan Linssen CS (Tilburg, 21 advocaten waaronder twee hoogleraren), of Prakke d’Oliveira (vijf hoogleraren). Maar in dit verhaal concentreren we ons op hoogleraren met een leerstoel in de sfeer van het ondernemingsrecht.

Vrouwelijke hoogleraren
Opvallend is vooral het groot aantal mannelijke hoogleraren bij de tien grootste advocatenkantoren: 49, tegenover drie vrouwen. Dat waren er meer. Zo waren Ianika Tzankova (comparative mass litigation, Tilburg) en Nora Streep (notarieel recht, Utrecht) verbonden aan NautaDutilh, maar beiden zijn daar weg. Barbara Bier (ondernemingsrecht, Nyenrode) zat bij Stibbe, en is daar nu of counsel – ook andere of counsels, verbonden aan een kantoor hebben we in dit overzicht niet meegenomen. Hylda Boschma was, voordat zij hoogleraar ondernemingsrecht in Groningen werd, kandidaat-notaris bij Houthoff. Overigens zijn er nog voldoende vrouwelijke hoogleraren met een leerstoel die aantrekkelijk kan zijn voor de grote kantoren. Alleen op het terrein van het ondernemingsrecht zijn dat bijvoorbeeld Hanny Schutte-Veenstra (onderneming en recht, Groningen), Iris Wuisman (ondernemingsrecht, Leiden), Claartje Bulten (ondernemingsrecht, Nijmegen) en Loes Lennarts (vergelijkend ondernemingsrecht, Groningen).

Relatieve winnaar
Dat De Brauw met elf hoogleraren aan kop gaat, is niet verwonderlijk: het is het kantoor met de meeste advocaten en notarissen. In relatieve termen scoort echter Loyens & Loeff hoog: tien hoogleraren op 269 advocaten en notarissen geeft een ratio van 3,71. We gebruiken bij deze berekening het aantal advocaten uit de Top Vijftig van Mr. Stibbe komt daar direct achteraan met een ratio van 3,70. De Brauw komt dan op de derde plaats met 3,20, NautaDutilh op vier met 2,53 en AKD op plaats vijf met 2,50. Van Doorne is hekkensluiter met 0,71.

Universiteit
Er is niet één hofleverancier van deze hoogleraren te noemen. Drie universiteiten leveren ieder negen hoogleraren: de Universiteit van Amsterdam (drie aan Loyens & Loeff en drie aan Stibbe), de Radboud Universiteit Nijmegen en de Erasmus Universiteit Rotterdam. Universiteit Leiden levert er acht, de Vrije Universiteit vijf (vier aan De Brauw), Utrecht levert er vier, de Rijksuniversiteit Groningen en Tilburg University ieder drie, Maastricht University twee en Nyenrode één.

 

Hoogleraren-dichtheid
Loyens & Loeff 3,71
Stibbe 3,70
De Brauw 3,20
NautaDutilh 2,53
AKD 2,50
Pels Rijcken 2,15
Allen & Overy 1,83
Clifford Chance 1,46
Houthoff 0,84
Van Doorne 0,71
Berekening: aantal hoogleraren x 100 / aantal advocaten

 

Rechtsfilosoof Hendrik Kaptein (Leiden Universiteit)
‘Niet zonder meer goed voor het recht’
‘Onpartijdige of eigenlijk ‘onpersoonlijke’ wetenschap en partijdige advocatuur: die gaan niet altijd goed samen, al helemaal niet in één persoon. Advocaten bepleiten de zaken van hun cliënten en dat komt niet altijd overeen met wetenschappelijke argumentatie ten behoeve van een goede rechtsontwikkeling. Zo zal een Zuidas-advocaat die bedrijven en rijke werknemers bijstaat vanuit haar gezichtspunten niet snel pleiten voor arbeidsrechtelijke ontwikkeling ten gunste van minderbedeelden. Bovendien: zou zij dat wél doen dan dreigt zij haar beter bedeelde klandizie kwijt te raken. Paul Scholten heeft het al feilloos uitgelegd: rechtswetenschap dient nooit enig bijzonder belang, maar is doordachte ontwikkeling en hervorming van het positieve recht zonder aanzien des persoons. Zo beschouwd zijn bijzondere en buitengewone leerstoelen bekostigd door bedrijven die er belangen bij hebben niet zonder meer goed voor de rechtswetenschap en dus niet goed voor het recht. Anderzijds leveren dergelijke leerstoelen nogal eens niet meer dan marginale vakpublicaties op, weinig wetenschappelijke, min of meer ongevaarlijke en in ieder geval vluchtige weergaven van ‘wat er al is’.’

 

Gepubliceerd op: Mr-online, 7 mei 2019.

Advertenties

Bericht op intranet was onrechtmatig

Een eenheidsmanager van de gemeente Assen kon niet doorstromen naar de nieuwe functie van concernmanager. Een bericht hierover op het gemeentelijke intranet beoordeelt de rechter als onrechtmatig. Waarom krijgt hij geen schadevergoeding?

© Michel Knapen

Als de gemeente Assen in 2017 overstapt naar een ander sturingsmodel voor de ambtelijke organisatie (‘concernmanagement’), moet dat voor Hidde Terleij* kansen bieden. Hij is een van de zes eenheidsmanagers, zij kunnen concernmanager worden.
Het loopt anders. In het ‘oefenjaar’ 2018 raakt hij overspannen. De gemeentesecretaris, tevens directeur, vertelt Terleij vervolgens dat hij niet geschikt is voor de functie van concernmanager en dat een reorganisatieontslag wordt voorbereid. De gemeentesecretaris plaatst op het gemeentelijke intranet een bericht waarin staat dat Terleij niet benoembaar is als concernmanager. Een lokale krant neemt dat weer over, en schrijft ook dat voor Terleij wordt gekeken naar een nieuwe baan. Daarop stelt Terleij de gemeente aansprakelijk voor geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, als gevolg van de arbeidsomstandigheden, dat hij geen concernmanager kan worden en de berichtgeving hierover op intranet en in de krant. Volgens Terleij is de gemeente tekortgeschoten in haar zorgplicht. De gemeente wijst iedere aansprakelijkheid af. Terleij stapt naar de rechtbank Noord-Nederland.
Daar stelt hij dat de arbeidsomstandigheden buitensporig en ziekmakend waren, omdat de gemeentesecretaris de eenheidsmanagers maar liet zwemmen. De werkdruk was te hoog, communicatie met de gemeentesecretaris verliep stroef, er was te weinig coaching. Dat leidde bij Terleij tot psychische problemen. Zijn immateriële schade als gevolg van gederfde levensvreugde begroot hij op 5.000 euro. Verder heeft de gemeente nagelaten Terleij’s belangen te beschermen, door via het intranet te communiceren over zijn functioneren én te lekken naar de krant. Zijn privacy is daardoor geschonden en zijn gezag, reputatie, eer en goede naam zijn ernstig geschaad. Extra immateriële schade: 8.000 euro.
De rechtbank onderzoekt eerst of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Bestuursorganen hebben tegenover ambtenaren een zorgplicht, maar die kan niet zo ruim worden opgevat dat van de werkgever wordt verlangd op voorhand bescherming te bieden tegen alle denkbare wrijvingen en (samenwerkings)problemen die zich op de werkvloer kunnen voordoen. Een nieuwe manier van werken leidt nu eenmaal tot onduidelijkheden en fricties. Van een ervaren manager als Terleij mag worden verwacht dat hij kan omgaan met een zekere organisatorische chaos. De gemeente heeft jegens Terleij niet onrechtmatig gehandeld en is dus niet schadeplichtig.
De berichtgeving via het intranet was wél onrechtmatig. Door te melden dat Terleij niet benoembaar was als concernmanager, werd vooruitgelopen op de formele evaluatie van de proeffase én op de procedure die zou worden gevolgd voor de benoeming van de concernmanagers. Het bericht stelde Terleij in een negatief daglicht, maar kon ook nadelige gevolgen hebben voor zijn (rechts)positie. De gemeentesecretaris wilde met het bericht transparant zijn, maar het resultaat is dat de eer en goede naam van Terleij onnodig zijn aangetast. Maar schade heeft Terleij hierdoor niet geleden, laat de rechtbank in zijn uitspraak van 12 april 2019 weten. Dat Terleij last had van een psychisch onbehagen en dat hij zich gekwetst voelde door het onrechtmatig genomen besluit, kan niet worden vertaald in immateriële schadevergoeding.
Dat de lokale krant over de kwestie heeft geschreven, kan de gemeente niet worden aangerekend. Die heeft niet meegewerkt aan die publicatie. Omdat ook hier geen sprake is van onrechtmatig handelen krijgt Terleij geen cent.

* De naam is gefingeerd.

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 9, 10 mei 2019.

Onderhandelaar Bert de Haas (FNV) over cao Gemeenten: ‘We wilden behoud van rechten’

Anderhalf jaar is er onderhandeld over normalisering van de Cao Gemeenten. Bert de Haas, hoofdonderhandelaar namens het FNV, spreekt van een moderne, redelijke en evenwichtige cao, waarbij het is gelukt bestaande arbeidsvoorwaarden één op één te laten overgaan. Maar een volledige normalisering is het niet, en dat steekt hem.

© Michel Knapen

Wat was de insteek van de bonden, toen u in 2017 met de onderhandelingen begon?
‘Onze inzet was: bestaande rechten moeten we behouden. Materieel hoeft er niets te veranderen.. De Cao Provincies is het resultaat van  onderhandelingen over zowel normalisering als nieuw beleid, dus daar zien we inhoudelijke vernieuwingen en verbeteringen. Daar is het nodige overhoop gehaald, bij gemeenten niet. Daar zijn bestaande rechtspositionele voorwaarden één op één omgezet in de cao, en waar dat niet kan – wegens strijd met het Burgerlijk Wetboek – moest wat anders worden afgesproken. Nieuw beleid is er niet gemaakt, wel redactionele aanpassingen om de tekst te moderniseren. Die was moeilijk leesbaar.’

Als de omzetting één op één is, wat viel er dan nog te onderhandelen?
‘Dat was aan voorkant moeilijk in te schatten. We wisten niet waar we precies over zouden onderhandelen. Gaandeweg werd het duidelijk. Zoals: het ontslagstelsel zou veranderen met de overgang van bestuursrecht naar privaatrecht. Dat konden we dus niet één op één overnemen. Ontslaggronden zijn uit de cao gehaald, die staan in het Burgerlijk Wetboek. Daarover bestond geen discussie en daarover is niet onderhandeld.’

Waarover is wel gesproken?
‘Wat doen we met het lokaal overleg? Wat doen we met geschillen, nu bezwaar en beroep weggevallen? Hoe gaan we om met disciplinaire straffen en plichtsverzuim? Hoe gaan we de transitievergoeding inpassen, die de ambtelijke wereld niet kent? Tot slot: de werkgeversbijdrage.’

Het lokaal overleg was direct een lastige.
‘Kun je wel zeggen. Sinds 1994 is wettelijk vastgelegd dat er een overleg nodig is tussen bestuur en bonden, de Commissie voor Georganiseerd Overleg. Vanaf 2020 stelt het bestuur van een gemeente niet langer de rechtspositie vast, er is immers een landelijke cao. Maar deze cao kent veel lokale ruimte, zoals de vaststelling van de reiskostenregeling woon-werk-verkeer. Dat wordt lokaal bepaald.’

Daarover kan met de ondernemingsraad worden overlegd.
‘Dat vond de VNG ook. Maar het zijn arbeidsvoorwaardelijke zaken. Daar heb je de vakbond voor. Dit was een lastig punt in de onderhandelingen. Ons standpunt was: er komt geen cao als er geen lokaal overleg met de bonden komt. Dat was een breekpunt. Uiteindelijk moest de VNG inbinden. Dat leverde in de achterban veel kritiek op maar we hebben elkaar toch kunnen vinden in een compromis. We leggen in de cao uitgangspunten vast over lokaal overleg maar niet meer zoals voorheen; toen was alles tot in de details gereglementeerd. Nu is vastgelegd dat over negen onderwerpen met de bonden moet worden overlegd. De manier waarop wordt overlegd bepalen gemeenten en vakbonden lokaal nu zelf.’

Welke onderwerpen zijn dat bijvoorbeeld?
‘De reiskostenregeling woon-werkverkeer, de verblijfskostenregeling, de inconveniëntenregeling, de vaststelling van het sociaal plan en van de conversietabel, waarin staat hoe loongebouw is ingericht. Daar is de VNG schoorvoetend mee akkoord gegaan. Hoewel 26 procent van de gemeenten daar weinig in zag, is toch iedereen er aan gebonden. De meerderheid telt. Het instellen van dit lokale overleg is geen grote operatie, gemeenten kunnen ook kiezen met hetzelfde georganiseerd overleg gewoon verder te gaan.Een pragmatische benadering betekent dat je zoveel mogelijk aansluit bij bestaande structuren.’

Gold dat ook voor de nieuwe geschillenregelingen?
‘Jazeker. De VNG wilde daar in eerste instantie niets over afspreken en geschilbeslechting overlaten aan gemeenten zelf. Wij vonden dat niet verstandig. In 98 procent van de cao’s komt een geschillenregeling voor, in verschillende vormen. Het is niet iets nieuws, je moet er wel een goede vorm voor vinden. Voor werkgevers is het ook niet fijn als ze voor elk geschil naar de rechter moeten. Er moeten advocaten worden ingeschakeld, de verhoudingen staan direct op scherp. Op dat punt hebben we elkaar gevonden. Er komt een voorbeeldregeling voor geschillen in de cao. Voor geschillen over functiewaardering, van-werk-naar-werk en over het sociaal plan geldt de verplichting om de weg via de geschillencommissie aan te bieden. Andere onderwerpen mógen naar de geschillencommissie. Die is lokaal, hoewel wij een voorkeur hebben voor een regionale commissie. Dan kun je beter deskundigheid opbouwen. Nu is er al een verplichte geschillencommissie voor van-werk-naar-werk, die kan worden gebruikt voor andere geschillen, dus ook dit is geen enorme operatie. Belangrijk is dat werknemers nu weten waar ze terecht kunnen met een geschil.’

Ook de disciplinaire straffen moesten opnieuw worden ‘uitgevonden’.
‘Die zijn nu gekoppeld aan plichtsverzuim, maar dat bestaat niet in de genormaliseerde cao. Wat ons betreft vervallen dan ook de straffen die daaraan verbonden waren. Nu zijn er meerdere maatregelen, het BW kent er drie: berisping, uitblijven van salarisverhoging en schorsen zonder loondoorbetaling. De praktijk zal leren of dit voldoende is. We kunnen in de toekomst altijd bekijken of het wenselijk is dat tussen de ene en andere sanctie een nieuwe wordt geschoven, dat kan bij cao. Of dat het voorwaardelijk ontslag wordt ingevoerd. Het BW kent dat niet maar bestaat nu wel in de ambtelijke wereld.’

De transitievergoeding is iets geheel nieuws voor ambtenaren.
‘De wens om dit te bespreken komt van de werkgevers. Het is een wettelijke verplichting maar in de cao staan ook maatregelen om de gevolgen van ontslag op te vangen. Denk aan de wettelijke WW, de bovenwettelijke WW en de nawettelijke aanvullende WW – die staan in de cao. Werkgevers zeiden: dit is voor ons dubbelop, het is onredelijk als we dat allemaal moeten betalen. Dat begrepen wij wel. We wilden dubbelingen voorkomen maar met als ondergrens dat het niet ten koste mag gaan van de huidige rechten van werknemers. Daar is nu een werkgroep mee bezig, die gaat dat invullen. Daarmee is de afspraak over de transitievergoeding een onderdeel van de cao-onderhandelingen 2019.’

Met ongewis resultaat.
‘Nee, daar gaan we uitkomen. Er komt waarschijnlijk een keuzemogelijkheid voor werknemers: of kiezen voor de huidige regeling zoals die in de cao staat, of een gedeeltelijk van-werk-naar-werk-traject en daaraan gekoppeld een soort transitievergoeding, in de vorm van een stimuleringspremie. Maar kies je daarvoor, dan heb je geen recht meer op de boven- en nawettelijke WW. Wat er uitkomt, wordt landelijk ingesteld. Dit wordt nog voorgelegd aan de leden.’

Een ontslag op organisatorische gronden verloopt niet via het UWV, zoals in het bedrijfsleven gebruikelijk is.
‘Daarvoor hebben we een cao-ontslagcommissie ingesteld. Daarover is gezamenlijk besloten. Dat sluit beter aan bij de praktijk van gemeenten qua regels over ontslagvolgorde. Die volgorde wijkt af van wat het UWV doet. Heb je dertig jaar gewerkt bij de ene gemeente en dan twee jaar bij een andere, dan kijkt het UWV alleen naar die laatste twee jaar. –. Een cao-ontslagcommissie kijkt ook naar die dertig jaar daarvoor. Dat maakt nogal wat uit. Anders zou het een te grote inbreuk zijn op de bestaande praktijk, en dat wilden wij niet. Ook de gemeenten waren het daar mee eens.’

Tot slot: de werkgeversbijdrage, een pijnpunt.
‘Klopt, gemeenten zijn daar niet blij mee. Vakbonden hebben namens de werknemers het cao-overleg georganiseerd. Doen vakbonden dat niet, dan zouden werkgevers met alle werknemers afzonderlijk moeten praten over arbeidsvoorwaarden. Omdat vakbonden dat werk wegnemen, is het redelijk dat werkgevers een bijdrage leveren voor de niet-leden. In de ambtelijke sector was men daarmee niet bekend. Wij zeiden: als we gaan normaliseren en werken zoals in de marktsector, dan hoort dit er gewoon bij. Het is 22 euro per jaar per werknemer. Heb je 500 werknemers, dan is dat jaarlijks ruim tienduizend euro. Op een gemeentelijke begroting is dat niet veel. Maar het gaat de gemeenten niet zozeer om het bedrag, wel om het principe. Het is de onwennigheid.’

Wat krijgen ze daarvoor terug?
‘Een goed georganiseerde en gekwalificeerde partij met wie je kan praten. Draagvlak bij alle medewerkers over het beleid. Dat brengt tevreden werknemers, en dus rust.’

Moeten gemeenteambtenaren blij zijn met deze cao?
‘Wat er nu ligt is een heel moderne cao met een frisse tekst. Qua rechten is het gelukt zoveel mogelijk één op één over te gaan. Er zijn goede compromissen gesloten. Ik omschrijf het als redelijk en evenwichtig.’

Zijn ambtenaren er ook op vooruitgegaan?
‘Het was niet de bedoeling nieuw beleid neer te zetten, op de werkgeversbijdrage en de transitievergoeding na. Het is gelukt om over te gaan met behoud van rechten. Dat de cao prettig te lezen is en toegankelijk is ook een winstpunt.’

Was het denkbaar geweest dat het toch anders zou uitpakken?
‘Ja. Er bestond vooraf de vrees dat er zou worden getornd aan de boven- en nawettelijke uitkeringen, omdat die boven de markt uitstijgen. De overheidswerkgevers vonden dat niet marktconform, want: te royaal. Wij zeiden: het is niet de bedoeling dingen aan te passen, de bedoeling is dit in overeenstemming te brengen met het BW. Gaan werkgevers aan de voorkant proberen bepaalde rechten af te pakken, dan gaan wij ook nieuwe dingen vragen. Zover is het niet gekomen.’

Is de normalisering voltooid? Staan ambtenaren nu op gelijke voet met werknemers in de private sector?
‘De bedoeling was dat werknemers binnen de sector overheid dezelfde positie zouden hebben als binnen een marktpartij. Dat is niet het geval, ook niet met deze genormaliseerde cao. De ambtenaar is nog steeds gebonden aan het ambtelijk statuut en aan het tuchtrecht. Ook heeft hij te maken met het politiek primaat, wat zijn positie inperkt. Daar verandert de normalisering niets aan. Op dit punt staat een overheidswerknemer op achterstand.’

Waar zit die achterstand precies?
‘In zeggenschap. Als in een bedrijf de directie besluit een afdeling te sluiten, dan moet de OR daarover adviseren. Sluit een gemeente een afdeling – als bepaalde werkzaamheden worden afstoten – dan is dat een politiek besluit dat niet hoeft te worden voorgelegd aan de OR. Zeggenschap van overheidswerknemers is dus niet genormaliseerd. Daarom ben ik blij dat het lokaal overleg overeind blijft, dan is er nog steeds een bond aanwezig die kan opkomen voor de werknemers.’

U heeft dus niet alles binnengehaald.
‘Nee. Als vakbonden vinden we dat dit ook moet worden gelijkgetrokken maar daar weigert de politiek aan mee te werken. Dat was ons streven maar dat hebben we niet weten te realiseren. We wilden: behoud van rechten, voorkomen van bezuinigingen, mogelijkheid van geschilbeslechting en lokaal overleg, én normalisering op het gebied van politiek primaat. Dat laatste hebben we niet binnengehaald door de pertinente en principiële weigering van de politiek om hier iets aan te doen.’

Organisatiegraad
De publieke sector kent een organisatiegraad van zo’n 40 procent (alle bonden samen). Weinig vergeleken met het streekvervoer, het OV, de metaal, de politie en het onderwijs: dat is al snel 80 procent. Bert de Haas is ‘tevreden’ met die 40 procent bij de overheid. ‘Wethouders vragen wel eens aan mij: welk percentage van de werknemers vertegenwoordigen jullie eigenlijk? Ik zeg dan: hoeveel procent van de bevolking heeft op u gestemd? En hoeveel mensen zijn er lid van uw partij? Wij hebben als FNV meer dan een miljoen leden – een partij als de VVD heeft er 40 duizend.’

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 8, 19 april 2019.

Regels over verhaalsrecht en retentierecht sluiten niet goed op elkaar aan

De procesrechtelijke regels over het retentierecht zijn onduidelijk, oordeelt Merel Heilbron in haar proefschrift. Op dit punt sluiten het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet niet goed op elkaar aan, waardoor in de dagelijkse praktijk patstellingen optreden.

© Michel Knapen

Het is 2012, economische crisis. Het valt ook Merel Heilbron op – net begonnen aan het proefschrift – dat vastgoedontwikkelaars failliet gaan maar dat banken de bouwwerken niet openbaar kunnen verkopen. Reden: de aannemer heeft het retentierecht. Dat is het recht (van de ‘retentor’) om een zaak onder zich te houden, totdat de rekening is betaald.
Die retentor heeft in ons rechtssysteem een sterke positie, stelt Heilbron. ‘Ons rechtsgevoel zegt: als je de reparatie van je auto niet betaalt, hoeft de garagehouder de auto niet terug te geven. Maar als je een leaseauto rijdt, dan kan dat retentierecht ook worden ingeroepen tegen de leasemaatschappij. De garagehouder kan in principe beslag leggen op de auto en deze verkopen, om alsnog betaald te worden.’ Het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft de garagehouder dit recht.
Dat de praktijk weerbarstiger is, komt doordat de regels over het retentierecht in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onduidelijk zijn. ‘Dit wetboek moet ervoor zorgen dat het verhaalsrecht van de retentor daadwerkelijk kan worden uitgeoefend. Maar de wijze waarop – in dit geval – de garagehouder de auto kan uitwinnen, moet beter worden geregeld.’
Dat leidt bij een faillissement tot onzekerheden. Heilbron: ‘Stel, de leaserijder gaat failliet. De garagehouder kan zijn vordering indienen bij de curator. De kans is klein dat de rekening dan wordt betaald. Maar hij heeft een troef: de auto staat nog in de garage, ook al is die eigendom van de leasemaatschappij. Dat is een patstelling. De curator kan de auto niet opeisen, want een ander is eigenaar. De garage krijgt zijn geld niet. En de leasemaatschappij krijgt de auto niet terug want de garagehouder roept zijn retentierecht in. Op grond van het BW kan de retentor zich verhalen op de auto, maar Rv sluit daar onvoldoende bij aan. Uit de wet blijkt niet duidelijk wat de schuldeiser – de garagehouder – nu moet doen. In de praktijk lost dit probleem zich vaak op – de leasemaatschappij betaalt de rekening en probeert dat later te verhalen op de leaserijder – maar beter zou zijn als Rv hier heldere regels voor zou bieden.’
Zo’n probleem speelt ook als de leasemaatschappij failliet gaat. ‘Letterlijk gaat het betreffende artikel in de Faillissementswet alleen over het retentierecht van de garagehouder op zaken van de ‘schuldenaar’, dus de leaserijder. Niet op zaken van de leasemaatschappij. Op grond van de jurisprudentie en de wetssystematiek, kun je dat er wel uithalen. Maar om alle twijfel weg te halen zou de wet op dit punt moeten worden aangepast.’
In deze twee gevallen is er een oplossing door de wet ruim te interpreteren. Maar elders – zoals op bouwplaatsen – ziet Heilbron echt een probleem. Als een aannemer niet door de opdrachtgever wordt betaald, en die laat ook de maandelijkse hypotheeklasten onbetaald, dan kan de bank het bouwwerk executoriaal verkopen. Bij executoriale verkoop vervallen alle hypotheekrechten, dat heet ‘zuivering’. Maar het retentierecht van de aannemer op dat bouwwerk vervalt niet automatisch. ‘Weer een patstelling’, zegt Heilbron. ‘De bouw ligt stil, de aannemer kan naar zijn geld fluiten en de bank kan niet verkopen, want niemand koopt een registergoed met een retentierecht. ‘Daarom zou in de wet moeten worden geregeld dat bij zuivering ook het retentierecht vervalt, want het is belangrijk dat zaken weer in beweging kunnen komen.’

Merel Heilbron (1986) rondde in 2011 cum laude de master Privaatrechtelijke rechtspraktijk aan de Universiteit van Amsterdam af en trad in 2012 in dienst bij de Radboud Universiteit Nijmegen als docent en promovendus. Daar promoveerde ze op 17 april op het proefschrift Retentierecht en uitwinning. Op dit moment werkt ze als professional support lawyer bij advocatenkantoor Lydian in Brussel.

Gepubliceerd in: SC 7, 16 april 2019.

Ambtenaar slechter af tegenover klager

Burgers worden steeds mondiger, waardoor het aantal klachten over ambtenaren almaar toeneemt. Maar de positie van de beklaagde ambtenaar is tijdens de klachtbehandeling ronduit zwak. Met de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren zal die positie verder verslechteren, zegt trainer en adviseur Caroline Koetsenruijter.

© Michel Knapen

Ze heeft dit verhaal zelf gehoord tijdens haar trainingen. Een moeder komt bij de afdeling Burgerzaken om een paspoort voor haar dochter aan te vragen. De pasfoto is gemaakt toen het kind zich niet goed voelde, ze staat er wat bleekjes op. De ambtenaar neemt de foto in, loopt naar achteren en zegt fluisterend tegen een collega: ‘Ook niet moeders mooiste’. De moeder hoort dat, en dient een klacht in.
Wat dan gebeurt is typisch voor het ambtenarenklachtrecht, zegt Caroline Koetsenruijter: de klacht gaat naar de teamleider en bij het verloop van de klachtbehandeling wordt de betrokken ambtenaar nauwelijks gehoord. Zíjn kant van het verhaal kan hij vaak niet vertellen, hoewel hij mogelijk een andere visie op het gebeuren had. Tegelijk kan de klacht in zijn personeelsdossier komen, met mogelijke sancties tot gevolg.
Deze manier van klachtafhandeling is volgens Koetsenruijter, directeur van trainingsbureau Instituut KCB, geen incident. Ze heeft tal van medewerkers van bestuursorganen getraind en de klachtafwikkeling is overal hetzelfde. ‘Veel bestuursorganen behandelen de klachtprocedure als een stiefkindje. Het moet, het staat in de wet. We hebben er iemand voor aangesteld, dat is ook weer afgevinkt. Tijdens trainingen schrik ik ervan dat klachtbehandelaars vaak niet eens weten waar ze het over hebben. Geen kennis van de regels, geen vaardigheden. Geen nazorg over hoe het nou voelt voor een beklaagde ambtenaar. Kortom: ze oefenen hun werk niet serieus uit.’

Verplicht sorry
In de Algemene wet bestuursrecht staat dat een klager, na behandeling van zijn klacht, tevreden moet zijn, niet of hij tevreden had behóren te zijn. De klager staat voorop, waardoor de beklaagde ambtenaar onder druk van zijn organisatie staat. Hij maak verplichte, niet welgemeende excuses. ‘Dat voelt onrechtvaardig, want zijn kant van het verhaal telt niet of minder. En van een verplicht sorry leer je niets.’ Dat de beklaagde ambtenaar er zo belabberd vanaf komt, kan worden gezien als een weeffout in de wet. ‘Klachtbehandeling is een vorm van aanvullende rechtsbescherming voor burgers tegen de overheid. Volgens de wet is een klacht iets tussen een burger en het bestuursorgaan, de ambtenaar is hierbij geen procespartij. Daarmee is zijn positie onderbelicht en onduidelijk, terwijl hij vaak wel de bron is van de klacht.’
Koetsenruijter zou graag zien dat de positie van de (beklaagde) ambtenaar in het klachtproces wordt versterkt. Ten opzichte van de klagende burger heeft hij een achtergestelde positie, en die zal onder de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) nog verder verslechteren.
Een betere positie is van belang, zeker nu burgers vaker klagen. Ze zijn mondiger geworden en komen meer op voor zichzelf. Klagen kan via de telefoon, met een brief of aan de balie. De overheid wil dat laagdrempelig houden. Gevolg is dat er ook veel wordt geklaagd via de sociale media, en daarop behoren bestuursorganen weer te reageren. En er wordt over van alles geklaagd. Toonzetting in brieven, e-mails en telefoongesprekken. Te traag reageren, bot reageren, non-respons. Koetsenruijter: ‘Krijgt iemand niet snel een reactie na een melding over een lantaarnpaal die kapot is, dan wordt er geklaagd. We zitten met z’n allen in de bol.com-modus: er moet direct worden geleverd, anders zijn we gepikeerd.’

Dubbele pet
Marketinggoeroe’s leren dat ‘iedere klacht een kans is’, maar in de ambtelijke praktijk is dat niet zo, vindt Koetsenruijter. ‘De beklaagde ambtenaar wordt amper gehoord. De klachtbehandeling gaat over zijn hoofd heen. Een klacht over een ambtenaar gaat direct naar de teamleider of de directeur. De leidinggevende krijgt standaard een afschrift van de klacht, zonder dat de beklaagde ambtenaar het heeft gezien. Als het later bij hem komt reageert hij defensief of afhoudend, of hij gaat zich verschuilen. Als de beklaagde op een gegeven moment het dossier krijgt, moet hij er zelf maar lering uit trekken. Zo werkt het natuurlijk niet. Een lerende overheid? Kom nou.’
Het zou al helpen als een klachtbehandelaar voldoende afstand heeft tot het geschil en de beklaagde ambtenaar. ‘Als dat de direct leidinggevende is, dan heeft hij een dubbele pet – hij moet later ook het functioneren van de ambtenaar beoordelen. Een leidinggevende kan wel coachen, niet de klacht behandelen. En coachen doe je vóór klachten binnenkomen, over hoe om te gaan met mogelijke klachten, niet pas nadat een klacht is ingediend.’
Koetsenruijter erkent dat de ambtenaar wettelijk geen speler is, maar desondanks zouden leidinggevenden de beklaagde direct bij een klacht moeten betrekken. Pas dan ontstaat de mogelijkheid tot reflectie en leren. ‘Gebeurt dat niet, dan zul je zien dat ambtenaren veel kwesties ontkennen of klein maken.’
Maar niet alleen ambtenaren leren zo niets van klachten, het bestuursorgaan ook niet. ‘Burgers worden steeds meer eisend, agressiever en manipulatiever. Dan schuurt de achterstandspositie van de ambtenaar des te meer. Eigenlijk kan hij nergens terecht. Vanuit het ambtelijk apparaat krijgt hij weinig hulp en bijstand. Bescherming en nazorg zijn vaak niet op orde. Het is extra schrijnend wanneer een klacht – die best onterecht kan zijn – wél schadelijk kan zijn voor je loopbaan. Daar moet het bestuursorgaan op inspelen.’

Verslechteren
De Wet normalisering rechtspositie ambtenaren zal dit alles niet verbeteren. Sterker, Caroline Koetsenruijter is ervan overtuigd dat die positie onder de Wnra verder zal verslechteren. ‘Een voorbeeld uit mijn trainingen. In een smal straatje komen een gemeentelijke vuilniswagen en een vrouw met een bakfiets, kinderen erin, elkaar tegen. Er is te weinig plaats om te passeren, de moeder kan met haar bakfiets moeilijk achteruit manoeuvreren. De chauffeur scheldt de moeder uit en steekt zijn middelvinger op. Daarover klaagt deze vrouw. Nu nog bestaat er voor deze beklaagde ambtenaar een herkansing: hij kan het besluit over een disciplinaire straf intern aanvechten door een bezwaarschrift in te dienen. Onder de Wnra valt die mogelijkheid weg. Laagdrempelige bestuursrechtelijke rechtsbescherming verdwijnt en het arbeidstuchtrecht biedt ambtenaren niet de waarborgen die nu nog gelden. Wordt hij ontslagen, dan kan hij alleen naar de kantonrechter. Zijn kans op verbetering is vervlogen.’
Dat het zo gaat lopen is méér dan gissen over de toekomst, weet Koetsenruijter. ‘Ik werd onlangs door vier mensen, onafhankelijk van elkaar, benaderd. Ze werkten vanuit een detacheringsbureau, dus onder het private arbeidsrecht, voor gemeenten. Alle vier kregen ze te maken met een klacht. Zonder hoor en wederhoor, zonder de klacht te onderzoeken, konden ze bij de gemeenten vertrekken. Hopelijk is dat niet het perspectief van alle beklaagde ambtenaren onder de Wnra.’

Achtergestelde positie van de beklaagde ambtenaar
Dat de beklaagde ambtenaar een achtergestelde positie heeft, blijkt duidelijk uit de Algemene wet bestuursrecht. Zo kan hij niet naar een tweedelijns klachtbehandelaar (zoals een ombudsman) als hij het niet eens is met de uitspraak van de eerstelijns klachtbehandelaar. De klager kan dat wel. Een klager kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen, voor de beklaagde ambtenaar is dat niet geborgd. Komt er uitstel van de klachtbehandeling, dan is instemming van klager vereist, niet van ambtenaar. Alleen een klager kan klagen (bij het bestuursorgaan), een ambtenaar kan niet (terug)klagen over een burger.
Het bestuursorgaan is verplicht een schriftelijke ontvangstbevestiging naar de klager te sturen; niet aan beklaagden. Stukken worden pas naar de beklaagde ambtenaar gezonden als de klacht al in behandeling is genomen. Dan pas mag hij reageren – maar in de praktijk heeft hij die mogelijkheid vaak niet. Alleen de klager wordt op de hoogte gesteld als een klacht niet wordt behandeld – ook hier staat de ambtenaar op achterstand. Tot slot kan een klager aangeven dat hij niet meer wil worden gehoord, de ambtenaar heeft die mogelijkheid niet.

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 7, 2019.

 

College in retraite krijgt slecht advies

Het college van Oegstgeest ging op retraite en een politiek adviseur voorzag het bestuur van twee rapporten als discussiemateriaal. Het waren echter controversiële rapporten, wat zijn loyaliteit geen goed deed. Was dat voldoende om hem te ontslaan?

© Michel Knapen

‘Send’, en daar gingen de rapporten richting het college van Oegstgeest. De collegeleden en de gemeentelijke directie gaan op retraite en ter voorbereiding mailt Reint Geisels* hen een rapport van de rekenkamer en een over ‘Formatieve omvang’. Dat valt volstrekt verkeerd, zo erg zelfs dat Geisels wordt ontslagen – wat hij aanvecht.
Voor Geisels’ functie, op het snijvlak van ambtelijke organisatie en politiek, is het van belang dat het college vertrouwen moet hebben in de samenwerking, vindt de rechtbank Den Haag. Van Geisels mag dan ook worden verlangd dat hij het college bedient met relevante en correcte gegevens over de gemeente, en dat hij op basis daarvan het college ondersteunt met adviezen.
En die waren in dit geval niet goed. Zo wil het college dat Oegstgeest zelfstandig blijft, maar nu ligt de vraag op tafel of Geisels wel voldoende loyaal is, door juist déze rapporten te sturen en te adviseren dat er moet worden gekozen tussen zelfstandig of samengaan. Het college vindt dat er een ernstige vertrouwensbreuk met Geisels is ontstaan, zonder uitzicht op een goede samenwerking en herstel van het vertrouwen.
De Centrale Raad van Beroep somt in zijn uitspraak van 7 maart 2019 het aantal kwesties nog eens op. Er gebeurden zaken buiten Geisels om, zodat hij niet ‘in control’ was. Hij vulde zijn rol ook niet goed in. Geisels had zich meer als adviseur van het college moeten opstellen en niet alleen met een strategische blik naar de agenda moeten kijken. Hij had steeds op het juiste moment moeten meebewegen, maar het ontbrak hem aan politieke sensitiviteit. Er hingen al vijf verbeterpunten aan zijn broek, uit een eerdere functioneringsgesprek.
Dat alles komt samen tijdens de heidagen, waarop het college ‘majeure onderwerpen’ wil bespreken en wat de Raad een ‘kantelmoment’ noemt. De externe begeleider van de retraite vond de rapporten die Geisels had gestuurd politiek-bestuurlijk controversieel en adviseerde hem vóór de retraite deze grondig op feitelijke juistheid te onderzoeken en zijn bevindingen vooraf met het college te delen. Deed Geisels niet, of onvoldoende. Het lijkt op een eerder akkefietje: tijdens de collegeonderhandelingen in 2014 had Geisels B&W ook al verbaasd, omdat kort na de installatie een begrotingstekort van 1,8 miljoen euro bleek.
Door juist deze rapporten nu voor te leggen, wekte Geisels de verwachting dat vanwege de precaire financiële situatie van de gemeente haar zelfstandigheid in gevaar zou komen. Geisels moet zich ervan bewust zijn geweest dat de rapporten, en zijn adviesmailtje (kiezen voor zelfstandig blijven of fuseren), bij het college als een onaangename verrassing kwamen.
Voor het college was dit de druppel. Dat het opzeggen van het vertrouwen voor Geisels ‘als een donderslag bij heldere hemel kwam’, betekent ook nog eens dat het hem ontbrak aan de benodigde zelfreflectie – óók een kwaliteit die van belang is in zijn functie.
Omdat herplaatsing binnen de gemeente niet mogelijk is, is het ontslag terecht, vindt ook de Raad. De plusuren die Geisels nog heeft staan (omgerekend zo’n veertig dagen) worden niet vergoed. Het maken van onbetaalde overuren behoort nu eenmaal tot zijn functie, die hij nu kwijt is.

* De naam is gefingeerd.

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 7, 2019.

 

Minister Dekker: ‘Belgische vrederechter werkt dejuridiserend’

Minister Dekker (m) in gesprek met vrederechter Jan Vandeborne (r). Links de Vlaamse justitieminister Koen Geens (foto’s: Michel Knapen)

Minister Dekker (Rechtsbescherming) bezocht in België het vredegerecht, een vorm van laagdrempelige, snelle en goedkope – vaak gratis – rechtspraak. Vroeg naar de rechter gaan voor beginnende conflicten, dat dejuridiseert juist, vindt hij. Mr. was erbij.

© Michel Knapen

Er heerst wat verbazing in de zittingszaal van het vredegerecht van Maasmechelen, een stadje in Belgisch Limburg, net over de grens bij Geleen. Jan Vandeborne behandelt als vrederechter in een openbare zitting negentien zaken, maar dat gebeurt toch alleen op vrijdagen? En er komt een minister op bezoek. Nee, twee ministers zelfs. Het is toch zeker geen 1 april-grap?
Op maandag 1 april 2019 ontvangt de Vlaamse minister van Justitie Koen Geens de Nederlandse minister voor Rechtsbescherming, Sander Dekker. Koens is geen onbekende jurist in Vlaanderen. Hij was hoogleraar en medeoprichter van een advocatenkantoor dat tegenwoordig Eubelius heet – een van de grootste van België met nu zo’n 140 advocaten. Als minister van Financiën voerde hij in 2014 de btw in op advocaatdiensten – eerder vielen deurwaarders en notarissen daar al onder. In dat jaar werd hij ook minister van Justitie. Vandaag laat hij zijn Nederlandse ambtsgenoot Dekker zien wat de vrederechter doet, een vorm van laagdrempelige en goedkope rechtspraak waar Dekker wel oren naar heeft.

Verzoeningsprocedure
De Belgische vrederechter – de ‘nabijheidsrechter’ – behandelt alleen civiele zaken, voor vorderingen met een waarde tot 5.000 euro. België telt ruim tweehonderd vrederechters, die zo de druk op de rechtbanken verkleinen. De griffierechten bedragen 50 euro en een zogeheten verzoeningsprocedure is zelfs gratis. De griffierechten worden aan het eind van de procedure door de verliezende partij betaald. Dat heet in België de ‘rechtsplegingsvergoeding’. Heeft de vordering een waarde tot 250 euro, dan bedraagt de rechtsplegingvergoeding minimaal 90 euro en maximaal 360 euro. Bij een vordering tussen de 10 duizend en 20 duizend euro bedraagt die vergoeding tussen de 750 en 3.000 euro.
Partijen brengen een zaak aan door te bellen of een brief te schrijven. Vaak kan de zaak een week later al worden behandeld.

Minnelijke schikking
In 2016 werden bij de vredegerechten ruim 430 duizend zaken gestart. Door een uitbreiding van de bevoegdheid van de vrederechter per 1 september 2018 (toen ging het bedrag van de vorderingen omhoog van 2.500 naar 5.000 euro) zal het aantal zaken dat door de vrederechter in plaats van de rechtbank van eerste aanleg wordt behandeld stijgen. Vaak gaan vrederechters ter plekke de situatie bekijken die tot een geschil heeft geleid.
De vrederechter streeft naar een minnelijke schikking. Bij sommige geschillen (zoals over pacht of het recht van overpad) is een verzoeningsprocedure verplicht. Ongeveer de helft van de verzoeningsprocedures zou tot een oplossing leiden. Komt er geen verzoening, dan kan alsnog een zaak worden gestart middels een verzoekschrift of dagvaarding. Bij de vrederechter is vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht.

Openbaar

Vredegerecht Maasmechelen

De zittingen van het vredegerecht van Maasmechelen vinden plaats in een voormalige kapel, nu omgebouwd tot een moderne zaal met vijftig zitplaatsen. Er hangt geen portret van de Koning der Belgen aan de muur – dat mag, maar is niet verplicht.
Als Dekker en Geens en hun gevolg hebben plaatsgenomen, opent de unus – met naast zich een griffer – de zitting. Er staan negentien zaken op de rol, bij verreweg de meesten komen de comparanten niet opdagen – die zaken worden ter zijde gelegd. Zijn de comparanten wel aanwezig, dan lopen ze naar voren en beginnen een zacht gesprek met de rechter. In de zaal is dat nauwelijks te verstaan en dan is ook niet de bedoeling, zegt Vandeborne later: zittingen zijn openbaar maar het geschil behoort tussen de partijen en de rechter. Dat gaat anderen niet aan.

Ereloon
Het gesprek met de partijen duurt enkele minuten. Bij betalingsachterstanden wordt snel een regeling getroffen over maandelijkse termijnen en een verklaring dat partijen zich daar aan houden ligt al klaar: namen worden ingevuld, handtekening eronder en de volgende zaak.
Tijdens de zitting op 1 april melden zich vier advocatenkantoren die in totaal acht vorderingen hebben op cliënten, die het ‘ereloon’ niet hebben betaald. Ook voor advocaten is de vrederechter een makkelijke ingang om onbetaalde rekeningen voldaan te krijgen. Een half uur na aanvang kan vrederechter Vandeborne de zitting al afhameren. Sander Dekker heeft vanaf de laatste bankjes aandachtig zitten luisteren, en deelt zijn ervaringen met Mr.

Hoe beoordeelt u deze vorm van rechtspraak?
“De vrederechter is diep geworteld in het Belgische rechtssysteem. Ik zie veel gelijkenis met bewegingen nu in Nederland. Vanuit de rechtspraak wordt gedacht of rechters niet vaker naar mensen toe kunnen, ook om na te gaan of mensen zelf tot een oplossingen kunnen komen. Zo werkt ook de vrederechter. Dan volgt er geen uitspraak. Ter plekke tekenen de mensen over het akkoord.”

Wij experimenteren met de burenrechter, de wijkrechter, de spreekuurrechter, de regelrechter, de schuldenrechter, community courts. Maar het zijn allemaal pilots.
“Bij iedere rechtbank lopen wel een of twee van dergelijke experimenten. Daarvan willen we eerst leren, ervaringen opdoen, dan lessen eruit trekken en dan pas uitrollen. Juist in die kleinschaligheid zit ook de kracht. Het kan beste zijn dat het in Geleen anders is dan in Eindhoven of in Amsterdam. Daarover zijn we nog niet uit: komt er één vorm die we overal toepassen of is er ruimte voor variatie, door te kijken wat er lokaal speelt?”

Kan een soort vrederechter ook in ons rechtssysteem, zonder al te veel overhoop te halen?
“Ik denk van wel. Wel bereid ik een wetsvoorstel voor waarmee het mogelijk is om regels van rechtsvordering eventueel aan te passen zodat deze experimenten nog beter gaan werken. Denk aan echtscheidingszaken. Nu geldt daarvoor nog een verplichte procesvertegenwoordiging voor beide partijen, het is wellicht interessant of je met één vertegenwoordiger kan werken. Twee advocaten, dat is toch het toernooimodel waarin geschillen vaak worden aangewakkerd en juist vergroot. Daar zouden we vanaf moeten.”

Dekker (l) en Geens (m) volgen een zitting van de vrederechter. Rechts naast Geens de burgemeester van Maasmechelen

De vrederechter die minnelijke schikkingen doet is gratis. Leidt dat er niet toe dat iedereen met een kleinigheid naar de rechter stapt?
“Het lijkt inderdaad dat de zaak door snel naar de rechter te stappen wordt gejuridiseerd. Maar juist de vroegtijdige betrokkenheid van de rechter is een manier – dat zei ook een van de rechters – om te dejuridiseren. Gevoelsmatig is dat een tegenstelling. Als de vrederechter er vroeg bij is, kan men snel met oplossing komen, en komen partijen met eigen oplossingen dan zijn ze eerder geneigd afspraken na te komen. Met dat zetje van enkele minuten door de vrederechter, wordt juist voorkomen dat problemen groter worden.”

De vrederechter doet alleen civiele zaken. Is dat wat u betreft voldoende?
“Ik zou verder willen gaan. Vaak spelen er meerdere problemen tegelijkertijd. Een huurachterstand, een conflict in familiesfeer, een kind in contact is geweest met justitie. Wil je echt een oplossing, dan is een uitspraak op een deelaspect niet genoeg. We zijn gewend te denken vanuit het recht, laten we problemen eens benaderen vanuit de behoefte van mensen. Dat is steeds meer de gedachte vanuit de rechterlijke macht in Nederland.”

Wordt het niet te duur als iedereen met een klein probleem gratis naar de rechter kan?
“Dat moeten we nog bezien. Onze inzet is altijd: er eerst zelf uitkomen. Juist de mogelijkheid dat de andere partij naar een rechter kan stappen, verhoogt al de kans dat ze er samen uitkomen.”

Gepubliceerd op: mr-online.nl, 2 april 2019.