Ambtenaar moet te lage functiewaardering op tijd aankaarten

Na een ziekte wil een ambtenaar haar werk niet hervatten: er is nog een geschil over haar functiewaardering. Handelde de gemeente verwijtbaar nu mede daarom de arbeidsovereenkomst werd ontbonden?

© Michel Knapen

Een gemeentelijk medewerker snippergroen, in welke salarisschaal hoort die? Maudy Bleijenbeek* (1960) vindt in ieder geval dat zij in die functie te weinig verdient. In april 2023 meldt zij zich ziek. De bedrijfsarts acht Bleijenbeek arbeidsongeschikt – niet op basis van ziekte maar door ‘samenwerkingsproblemen’. Gesprekken met een bedrijfsmaatschappelijk werker, de teamleider en de HR-adviseur leveren weinig op, re-integratie, werkhervatting en mediation komen niet van de grond.
Het arbeidsconflict is terug te voeren op Bleijenbeeks functiewaardering. De gemeente komt haar tegemoet (salarisschaal 7 wordt 8) maar Bleijenbeek vindt dat daarmee niet het gehele conflict is opgelost: zij wil financieel volledig worden gecompenseerd voor wat ze in de voorgaande jaren is misgelopen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op verzoek van de gemeente vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.[1] Zonder billijke vergoeding, wat Bleijenbeek in hoger beroep alsnog vraagt.
Bij het hof klaagt Bleijenbeek dat de gemeente te weinig deed om haar te herplaatsen. Bij een ontbindingsverzoek moet de werkgever onderzoeken of de werknemer aan de slag kan in een andere passende functie, al dan niet na scholing. In deze zaak liet Bleijenbeek weten pas aan het werk te gaan als de kwestie van de functiewaardering – die al vijftien jaar voortsleept – wordt geregeld. Maar wie zo’n voorwaarde op tafel legt, kan geen beroep doen op de herplaatsingsplicht. Bovendien: passende functies waren er niet. Bleijenbeek wijst nog op het samenwerkingsverband waar de gemeente bij is aangesloten. Maar degelijke verbanden en ook partnergemeenten zijn geen onderdeel van de organisatie waarover de herplaatsingsplicht voor de gemeente zich uitstrekt.
Volgens het hof heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden. Maar moet Bleijenbeek een billijke vergoeding krijgen nu de gemeente volgens haar verwijtbaar heeft gehandeld?[2] Want die is debet, zegt zij, aan de verstoorde arbeidsverhouding door de functiewaardering onvoldoende op te pakken.
Volgens de kantonrechter en het hof heeft de verstoorde arbeidsverhouding vooral betrekking op de weigering van Bleijenbeek het werk te hervatten. Op dat punt kan de gemeente niets worden verweten: die deed juist voldoende om de terugkeer naar het werk te faciliteren. Niet de discussie over de functiewaardering lag ten grondslag aan het ontbindingsverzoek, wel de onoplosbaar gebleken patstelling over werkhervatting. De situatie rondom de functiewaardering rechtvaardigt niet het uitblijven van medewerking van Bleijenbeek aan die werkhervatting, oordeelt het hof.
En zelfs al speelde de functiewaardering een rol bij de verstoring van de arbeidsrelatie, dan nog is dat niet ernstig verwijtbaar. Bleijenbeek heeft nooit bezwaar tegen het inschalingsbesluit of een herziening van haar functiebeschrijving ingesteld, iets wat zij vóór 2020 had kunnen doen, toen voor haar nog de Algemene wet bestuursrecht gold. Pas tien maanden na haar ziekmelding diende zij daarover een verzoek bij de gemeente in, die dat snel oppakte. Dat geldt ook voor de werkhervatting: de gemeente initieerde diverse gesprekken met Bleijenbeek, deed onderzoek naar de werkvoorraad en de inrichting van snippergroen, zette mediation in én herwaardeerde de functie. De gemeente heeft zich dus ingespannen om de problemen (de werkdruk en de functiewaardering) op te lossen zodat Bleijenbeek weer aan de slag kon. Dat Bleijenbeek eerste een volledige financiële compensatie wilde, valt de gemeente niet te verwijten. Zij krijgt geen billijke vergoeding.
* De naam is gefingeerd
ECLI:NL:GHARL:2026:5072

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 16, 16 september 2026.


[1] Artikel 7:671b lid 1 onder a jo lid 2 BW en artikel 7:669 lid 3 sub g BW.

[2] Artikel 7:671b lid 9 sub c BW.

Politiek verlof kan niet steeds worden verlengd

Ambtenaren die een politieke functie gaan bekleden, zoals wethouder, kunnen daarvoor ‘politiek verlof’ krijgen. Waarom werd dit in het geval van een Berkellandse ambtenaar afgewezen?

© Michel Knapen

Arjen Maathuis* is net geen twee jaar in dienst bij de gemeente Berkelland als hij wethouder in Almelo wordt. Dit valt niet te combineren met zijn fulltime aanstelling. Hij vraagt en krijgt politiek verlof, voor de coalitieperiode van vier jaar. Daarna verzoekt Maathuis om dit politiek verlof te verlengen wegens zijn herbenoeming als wethouder. Ook dat honoreert zijn werkgever.
Een kleine drie jaar later wil Maathuis opnieuw politiek verlof, deze keer omdat hij burgemeester van Meppel wordt. Berkelland wijst dit af. Maathuis kan beter de arbeidsovereenkomst opzeggen, die al acht jaar niks meer voorstelt. Maar Maathuis wil eerst de kantonrechter vragen of hij recht heeft op politiek verlof. Krijgt hij gelijk, dan wil hij een financiële tegemoetkoming van Berkelland. Daar gaat de gemeente niet mee akkoord en verzoekt zélf de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Als hij inderdaad zijn aanstelling in Berkelland verliest, zegt Maathuis, dan wil hij een transitievergoeding van € 25.416 en een billijke vergoeding van € 35.000.
Berkelland heeft, zo oordeelt de kantonrechter, Maathuis’ verzoek terecht beoordeeld op basis van een artikel in de wet over verlof zonder behoud van loon, die sinds de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (2020) ook geldt voor ambtenaren. Dat artikel biedt geen grondslag voor het verlenen van verlof aan een werknemer die burgemeester wordt. Het eerdere politiek verlof was bedoeld voor de benoeming en herbenoeming als wethouder, voor het aanvaarden van het burgemeestersambt hoeft Berkelland geen politiek verlof te verlenen.
Daar komt bij dat de Ambtenarenwet 1929 een werknemer het recht geeft op een tijdelijke ontheffing van zijn functie. Nu Maathuis inmiddels acht jaar voltijds elders een bezoldigde publieke functie bekleedt en geen werkzaamheden meer voor Berkelland verricht, lijkt sprake van een structurele situatie. Opnieuw een ontheffing past niet binnen dat systeem. Berkelland heeft Maathuis’ verzoek tot het verlenen van politiek verlof terecht geweigerd, oordeelt de kantonrechter.
Berkelland stelt ook dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden. Dan kan niet in redelijkheid van de werkgever worden gevergd deze voort te zetten. Daar is de kantonrechter het mee eens, en de wet biedt voor dit soort situaties ook een grondslag: Maathuis werkt niet meer voor Berkelland en vanwege zijn functie elders is hij ook niet in staat voor Berkelland te werken. Daarmee is zijn arbeidsovereenkomst een lege huls. Van een werkgever kan niet worden verlangd dit te continueren. Omdat ook herplaatsing niet aan de orde is – Maathuis wil zijn ambt van burgemeester, een voltijdse functie, niet opgeven om terug te keren naar Berkelland – wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden.
De billijke vergoeding krijgt hij niet, omdat Berkelland niet verwijtbaar heeft gehandeld, wat Maathuis ook beweert, laat staan ernstig verwijtbaar. En de gevraagde transitievergoeding krijgt Maathuis ook niet. Een werknemer kan daar wel aanspraak op maken als de arbeidsovereenkomst op verzoek van een werkgever wordt ontbonden (zoals in deze zaak). Maar deze vergoeding is bedoeld om de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te verzachten en om de overstap naar een andere baan te vergemakkelijken. Dit doet zich hier niet voor: Maathuis kreeg al sinds acht jaar geen salaris meer van Berkelland én hij heeft al een andere baan. Hij wordt veroordeeld in de proceskosten (€ 432,50, uitspraak 9 juli 2026).
* De naam is niet gefingeerd.
ECLI:NL:RBNNE:2026:3217

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 15, 2 september 2026.

Pesten door teamchef kost Roosendaal geld

Een arbeidsconflict op het gemeentehuis van Roosendaal escaleert. De gemeente doet het nodige om rust in de tent te brengen. Dat gepeste ambtenaar een billijke vergoeding krijgt, laat wel zien wie er fout zat.

© Michel Knapen

Lange tijd is het onduidelijk wat precies is gebeurd op het gemeentehuis van Roosendaal. Daar werkt Rianne Tolberg* (1968), sinds 2005 als gemeenteambtenaar. Het begint met een conflict in 2023 tussen Tolberg en haar leidinggevende. Dit leidt tot twee bemiddelingsgesprekken, een derde gesprek vindt op verzoek van Tolberg niet meer plaats. Dan volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. Een quickscan laat zien wat nodig is binnen Tolbergs team. Zij meldt zich ziek. Er komt een nieuwe leidinggevende. Mediation wordt als optie voorgesteld, daarna zouden re-integratiewerkzaamheden kunnen worden hervat.
Tolberg informeert de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de Decentrale Overheid. Die klacht wordt gegrond verklaard, waarmee de LKOG erkent dat de eerste leidinggevende pestgedrag heeft vertoond: schreeuwen, uitvallen, negeren en uitsluiten van werk en informatie. Zelfs een groet richting Tolberg kon er niet meer vanaf. Een advocatenkantoor dat in opdracht van de gemeente feitenonderzoek verrichtte constateert echter: de werkomgeving binnen Tolbergs team is niet onveilig. Na een paar sessies wordt het mediationtraject afgesloten, zonder resultaat.
De enige uitweg die de gemeente dan ziet is het ontbinden van de arbeidsovereenkomst met Tolberg. Dit arbeidsconflict heeft de arbeidsverhoudingen te veel verstoord. De inspanningen van de gemeente om de relaties te normaliseren en de vertrouwensbreuk te herstellen, leverde niets op. Dat is althans de lezing van de gemeente.
Tolberg is er ook klaar mee, ze wil weg maar eist wel een billijke vergoeding van € 351.709, de transitievergoeding (€ 40.523) en een immateriële schadevergoeding (€ 40.000). Nu beide partijen het willen, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst en krijgt Tolberg de gevraagde transitievergoeding. Maar de billijke vergoeding laat pas echt zien waar de ‘schuld’ van het conflict lag: bij de gemeente.
Voor de kantonrechter is het duidelijk dat de leidinggevende ongewenst gedrag heeft vertoond, wat leidde tot de verstoorde relatie. Contact tussen deze teamchef en Tolberg verliep alleen via de mail, en niet van harte. Tolberg wilde niet meer deelnemen aan overleggen waarbij ook de leidinggevende aanwezig was, die daarmee stilzwijgend instemde. Op dat moment had de gemeente moeten ingrijpen, vindt de kantonrechter. Door dit na te laten kon de situatie escaleren, wat leidde tot de arbeidsongeschiktheid van Tolberg.
De gemeente heeft de oorzaak van de problematiek niet, of anders wel onvoldoende aangepakt. De leidinggevende bleef als projectleider steeds betrokken bij de werkzaamheden van Tolberg. Zo hield de gemeente de onveilige werksituatie in stand. Onduidelijk is welke consequenties de leidinggevende boven het hoofd hingen. Excuses voor diens gedrag of erkenning van de impact die de hele situatie heeft gehad op Tolberg: vergeet het maar. Daardoor is het vertrouwen van Tolberg in de gemeente onherstelbaar beschadigd. Dat maakt dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Dus moet de billijke vergoeding worden afgetikt, zodat Tolberg wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar nalaten van de werkgever.[1] De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, wel moet het ertoe leiden dat een werkgever zich twee keer bedenkt om een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Tolberg krijgt € 93.014 bruto, vergelijkbaar met haar inkomensverlies dat zij lijdt in de 7,5 jaar voor haar AOW-leeftijd. Daar komt een immateriële schadevergoeding van € 3.000 bij (uitspraak 13 mei 2026).

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBZWB:2026:4476

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 13, 22 juli 2026.


[1] Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.

Contactverbod voor ex-ambtenaar houdt stand

Jarenlang bestookte een ex-ambtenaar de gemeente Nederweert met minstens duizend brieven, verzoeken en klachten over zijn ontslag, nu zeventien jaar geleden. Net als de rechtbank legt het gerechtshof hem een contactverbod van twintig jaar op. Op straffe van hoge dwangsommen.

© Michel Knapen

Het is begin 2024 wanneer Twan Rosveld*, oud-beleidsmedewerker van Nederweert, van de rechtbank Limburg te horen krijgt dat hij eindelijk eens moet stoppen met het ‘juridisch stalken’ van zijn voormalige gemeente.[1] Hij is in 2009 na een dienstverband van 31 jaar door de gemeente eervol ontslagen (‘ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhoudingen’) en kan zich daar maar niet bij neerleggen. Procedure volgde op procedure. Hij stuurde gedurende veertien jaar massa’s brieven, kwam met ontelbare klachten en diende veelvuldig verzoeken in op grond van de Wet openbaarheid bestuur, de Wet open overheid, de Wet bescherming persoonsgegevens en de AVG.
Steeds opnieuw beschuldigde Rosveld de gemeente van valsheid in geschrift, smaad, integriteitsschendingen, liegen, ambtsmisdrijven, corruptie, pesten, intimideren, bewust schenden van de afgelegde eed of belofte, discriminatie, schending van de ambtelijke gedragscode integriteit, psychische mishandeling, misbruik van overheidsgeld, misbruik van recht en macht, intentioneel kwaadaardig gedrag en meineed – en meer van dat fraais. Keer op keer vraagt de gemeente: hou ermee op, we nemen toch niets meer in behandeling.
Rosvelds beschuldigingen, zo oordeelde een rechter in 2024, overschrijden de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Zijn acties legden een buitensporig beslag op het openbaar bestuur: één ambtenaar (van de 112 fte) was bijna fulltime bezig met zijn correspondentie, met al zeven ton aan personeels- en advocaatkosten tot gevolg. Zijn gedrag is, zo oordeelde de rechter, misbruik van bevoegdheid. Hij werd veroordeeld tot een algeheel contactverbod voor twintig jaar, op straffe van dwangsommen, die kunnen oplopen tot € 250.000. Ook na dit verbod ging Rosveld ermee door, hij moest al € 7.000 aan dwangsommen betalen.
Rosveld geeft niet op en gaat in hoger beroep. Die € 7.000 wil hij terug, zijn uitlatingen – zo vindt hij – vallen niet onder de verboden en het algehele contactverbod kan niet standhouden. Maar daar denkt het hof heel anders over. Doel en strekking van de eerdere veroordeling zijn immers dat het veelvuldig misbruik maken van bevoegdheden door Rosveld en zijn onrechtmatig handelen moesten stoppen. Ophouden dus met het indienen van klachten of meldingen bij de gemeente over het arbeidsconflict. Niet meer bellen naar de gemeente, niet meer mailen en niet meer langskomen. Ophouden met grievende uitingen over personen die werkzaam zijn bij of voor de gemeente. Die verboden zijn heel concreet, stelt het hof, wat Rosveld juist betwist. Maar de opsomming van termen die Rosveld in eerdere stukken gebruikte, zegt genoeg: dat alles mag nu echt niet meer. Of Rosveld gelijk had in zijn verweer doet niet ter zake: vraag is of hij de verboden uit het eerdere vonnis heeft overtreden. En dat is keer op keer gebeurd. Inmiddels heeft hij € 10.000 aan dwangsommen verbeurd.
Rosveld verloor alle eerdere procedures en kon de verwijten richting gemeente nooit bewijzen. Hij wil per se financiële genoegdoening. Bij het hof verklaarde hij dat hij daarmee zal doorgaan. In Nederweert heeft hij niets te zoeken – hij is niet eens inwoner. Daarom blijft het eerder opgelegde contactverbod van twintig jaar in stand, een als de dwangsommen. Hij verliest ook deze zaak (uitspraak 28 juli 2026) en moet de proceskosten van € 7.374 betalen.

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:GHSHE:2026:1976

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 14, 12 augustus 2026.


[1] Rechtbank Limburg 31 januari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:384.

Belastingambtenaar mag geen fiscaal advies geven aan kennis

Een ambtenaar van de Belastingdienst voorziet enkele bekenden van fiscaal advies, tegen een kleine vergoeding. Hoe erg kan dat zijn, heeft hij gedacht. Waarom vliegt hij er toch uit?

© Michel Knapen

In mei 2025 krijgt een medewerker van de Belastingdienst een bericht op zijn zakelijk e-mailadres. Een vrouw verzoekt om herziening van de aanslag inkomstenbelasting. De medewerker begrijpt niet hoe dit op zijn toch onbekende werkmailadres binnenkomt. In een daaropvolgend telefoongesprek vertelt die vrouw dat haar belastingaangiftes werden verzorgd door een collega van die medewerker, die dit in de avonduren en tegen betaling erbij doet. De medewerker vermoedt dat die collega daarbij de interne systemen raadpleegt en hij meldt dit bij zijn leidinggevende. Die geeft de mogelijke integriteitsschending door aan het Meldpunt Integriteit Belastingdienst. Al snel blijkt dat het om Lei Hoebing* (1960) gaat, die sinds 1982 bij de Belastingdienst werkt en aangiftes van buitenlandse belastingplichtigen behandelt.
Hoebing wordt op het matje geroepen en bekent dat hij meermaals fiscaal advies heeft gegeven aan die vrouw en daarvoor twee keer is betaald (€ 60 per keer), daarvoor systemen van de Belastingdienst heeft geraadpleegd en nog enkele familielieden heeft geholpen met hun belastingaangifte. Hoebing wordt geschorst wegens een vermoeden van een ernstige integriteitsschending. De Staat verzoekt de arbeidsovereenkomst met Hoebing te ontbinden omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Als de zaak bij de kantonrechter wordt behandeld, komt Hoebing niet opdagen. Omdat hij geen verweer voert, gaat de kantonrechter ervan uit dat de gepresenteerde feiten van de Belastingdienst kloppen. Het staat dan vast dat Hoebing in strijd met het verbod op nevenwerkzaamheden heeft gehandeld door enkele mensen fiscaal advies te geven. Dit mocht Hoebing zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet doen. En toestemming heeft Hoebing niet gekregen, zelfs niet als hij daar om zou hebben gevraagd. Deze nevenwerkzaamheden zijn immers onverenigbaar met het de functie van ambtenaar bij de Belastingdienst.
Vaststaat ook dat Hoebing onbevoegd de systemen van de Belastingdienst heeft geraadpleegd. Vanuit zijn werk als behandelfunctionaris was er geen zakelijke reden om die systemen in te zien voor het fiscale advies aan zijn ‘klanten’. Dit is dan ook ontoelaatbaar en Hoebing wist dat hij dit niet mocht, zo blijkt uit zijn eigen verklaring. Het staat ook op de intranetpagina van de Belastingdienst. Wie inlogt op een zakelijke laptop ziet steeds de melding ‘Waarschuwing! Gebruik is alleen toegestaan voor geautoriseerde, expliciet door de organisatie vastgestelde doeleinden. Gebruik wordt gelogd, misbruik wordt bestraft.’ De informatie die Hoebing uit de systemen wist te halen heeft hij gebruikt voor zijn verboden fiscale advisering.
Net als de staat wijst de kantonrechter (uitspraak 22 januari 2026) op de bijzondere positie van de Belastingdienst in de maatschappij en de vele gegevens van burgers en bedrijven waarover zij beschikt. Die moeten er allemaal op kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens bij de Belastingdienst in veilige handen zijn en dat er vertrouwelijk mee wordt omgegaan. Daarom is integriteit één van de kern- en basiswaarden van de fiscus. Werknemers van de Belastingdienst dragen een bijzondere verantwoordelijkheid en moeten ervoor zorgen dat het vertrouwen van burgers in de Belastingdienst niet wordt geschaad. Het gedrag van Hoebing is een ernstige miskenning van de aan hem te stellen hoge integriteitsnormen. Het handelen van Hoebing is niet alleen verwijtbaar, maar zelfs ernstig verwijtbaar. Daarop past maar één sanctie: ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder transitievergoeding.
* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBLIM:2026:400

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 12, 1 juli 2026.

Gemeente Barendrecht kreeg deksel op de neus

Het bestemmingsplan dat de gemeente Albrandswaard had vastgesteld, zinde buurgemeente Barendrecht niet. Die stapte naar de Raad van State. Waarom kreeg zij de deksel op haar neus?

© Michel Knapen

Gedoe in de polder, deze keer ten zuiden van Rotterdam. Bij de ontwikkeling van de Tweede Maasvlakte werd vastgelegd dat de leefbaarheid van de regio moet worden verbeterd. In het Bestuursakkoord over de uitvoering hiervan is afgesproken dat de provincie Zuid-Holland 750 ha natuur- en recreatiegebied realiseert. Dit zou ook moeten plaatsvinden in de gemeente Albrandswaard. Plannen voor hoogwaardige akkernatuur – die hand in hand gaat met recreatie en landbouw en die past bij het cultuurhistorisch polderlandschap – zijn neergelegd in het ‘Streefbeeld’ en in het bestemmingsplan.
Buurgemeente Barendrecht heeft grote moeite met het plandeel met horecabestemming voor de locatie Graaf van Portland. Dit ligt in het oosten van het plangebied, tegen de Barendrechtse Koedoodhaven. Komt er horeca op de Graaf van Portland, dan wordt horeca in de Koedoodhaven overbodig, vindt Barendrecht. Ook vindt deze gemeente dat in het plan van de buren onvoldoende parkeerplaatsen zijn opgenomen. De gemeente Barendrecht hoopt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gemeentelijke burenruzie kan beslechten.
Al snel in de procedure laat Barendrecht weten: we hadden niet namens de gemeente als rechtspersoon beroep moeten instellen, maar namens het college van burgemeester en wethouders als bestuursorgaan. Maar nu de gemeente dit verzoek na de beroepstermijn indient, is zij daarmee te laat. Het blijft de gemeente die appelleert. Die verzet zich tegen de aspecten verkeer, parkeren, de vraag of er behoefte is aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling op de locatie Graaf van Portland en of een horecagelegenheid daar in overeenstemming is met het Streefbeeld.
Volgens Albrandswaard is dit beroep niet-ontvankelijk, omdat de gemeente Barendrecht geen belanghebbende zou zijn. Alleen een belanghebbende kan in beroep. In de Algemene wet bestuursrecht staat wie belanghebbende is: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
In de Wet ruimtelijke ordening is een goede ruimtelijke ordening als belang aan de gemeenteraad toevertrouwd, maar het is ook een belang van het college van burgemeester en wethouders. Maar het beroep is ingesteld namens de gemeente Barendrecht en niet namens de raad of het college van Barendrecht. De raad of het college zouden dus belanghebbende kunnen zijn want die gaat immers over de ruimtelijke ordening. Maar die heeft geen beroep ingesteld. De vraag is dan: heeft de gemeente Barendrecht als rechtspersoon ook een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit? Om die vraag te beantwoorden moet worden gekeken of de gemeente rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het bestemmingsplan van de buren toestaat. De gemeente Barendrecht moet dan worden getroffen in een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar en actueel belang.
De Afdeling constateert (uitspraak 6 mei 2026) dat de gemeente Barendrecht geen eigen grond heeft binnen het plangebied of eigen grond met een recreatieve bestemming rondom de Koedoodhaven. En als er al een horecavoorziening komt op de Graaf van Portland, dan wil dat niet zeggen dat Barendrecht ook niet zelf een horecavoorziening in haar gemeente kan realiseren. Verder is ook niet gebleken dat er vermogensrechtelijke belangen van de gemeente Barendrecht zijn betrokken bij het plan waardoor een eigen belang van de gemeente rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. De gemeente Barendrecht is in deze procedure geen belanghebbende en daarom is haar beroep niet-ontvankelijk.
ECLI:NL:RVS:2026:2564

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 11, 17 juni 2026.

Stopzetten re-integratie is volstrekt verwijtbaar

Een technisch medewerker zit ziek thuis, collega’s zien hem liever niet terugkeren. De gemeente volgt dit gevoel en ontbindt de arbeidsovereenkomst. Waarom krijgt de ambtenaar toch een flinke ontslagvergoeding?

© Michel Knapen

Huib Heytse* (1965) lijkt als technisch medewerker niet de meest makkelijke. Hij werkt sinds 2006 bij een Limburgse gemeente, in een team van zeven man. Daarbinnen ontstaan meningsverschillen over taken, rollen en het aansturen van teamleden. Dit leidt tot spanningen, waarvoor een externe coach wordt ingeschakeld. Heytse doet maar kort mee aan die sessies omdat hij uitvalt als gevolg van medische klachten buiten het werk om. Er volgt een re-integratietraject maar ook daarover ontstaat gedoe.
Als Heytse een melding doet over diefstal van oud ijzer, kritiek heeft op zijn leidinggevende en naar de vertrouwenspersoon is gestapt, zet de gemeente de re-integratie ‘even on hold’. Het arbeidsconflict dreigt te ontsporen, de bedrijfsarts adviseert mediation. Dit komt niet van de grond, ook omdat de leidinggevende niet meedoet. Wel onderzoekt de gemeente het draagvlak onder de teamleden: vinden zij dat Heytse kan terugkeren? Zij noemen Heytse kleinerend, intimiderend, eigengereid en grofgebekt. Met hem valt niet samen te werken, als hij terugkeert zullen zij zich ziekmelden. De gemeente vraagt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met Heytse te ontbinden, vanwege een verstoorde verhouding tussen Heytse enerzijds en zijn leidinggevenden en teamleden anderzijds. Heytse legt zich daarbij neer maar accepteert niet dat dit alles alleen aan hem ligt.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Maar stelt ook: de duurzame verstoring van de arbeidsverhouding is in overwegende mate te wijten aan de gemeente. Heytse zal ook wel een rol hebben gehad in deze problematiek maar de gemeente maakt hem daarvoor de primair verantwoordelijke persoon. Door dit onbewezen standpunt breed uit te dragen onder de collega’s en te accepteren dat zij niet meer met Heytse in gesprek willen of met hem willen samenwerken, werd het voor Heytse ondoenlijk om nog terug te keren. Dat handelen van de gemeente is ernstig verwijtbaar.
Heytse werkte daar bijna twintig jaar. Functioneringsgesprekken vonden niet plaats, er zijn hiervan althans geen verslagen. Kennelijk ging Heytse nooit over de schreef en hij is er nooit op gewezen zijn gedrag bij te stellen.
De spanningen binnen het team betrof alle medewerkers, niet Heytse alleen. Omdat hij uitviel wegens ziekte, kon hij maar kort deelnemen aan het coachingstraject. De gemeente stelt: de coaching werkte goed voor de collega’s, alleen Heytse was niet tot ander gedrag te bewegen. Maar daar klopt niets van: ook lang na de start van de coaching waren er nog steeds aanzienlijke spanningen binnen het team. En in al die tijd was Heytse wegens ziekte nauwelijks op de werkvloer.
Het is voor de kantonrechter onduidelijk waarom de re-integratie werd gestopt? Dit is immers een belangrijke verplichting van de werkgever. Van iedere werkgever, en zeker van een overheidswerkgever, mag een reële inspanning worden verwacht, stelt de kantonrechter. Dat de melding over het oud ijzer en de kritiek op de leidinggevende werden aangegrepen om het re-integratietraject te stoppen, acht de kantonrechter (uitspraak 2 maart 2026) zeer kwalijk. Als Heytse desondanks aangeeft dat hij wil komen werken, mogen de collega’s zich daarover uitspreken, waardoor zijn terugkeer onmogelijk is gemaakt. Door dit ernstig verwijtbare handelen van de gemeente heeft Heytse recht op een billijke vergoeding[1] (€ 35.000) en daarnaast ook op een transitievergoeding (€ 30.928).

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBLIM:2026:1975

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 10, 3 juni 2026.


[1] Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd; zie Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia).

Neuzen in BRP is niet altijd ernstig verwijtbaar

Neuzen in de BRP geldt als een ambtelijke doodzonde. Het kwam een ambtenaar van de gemeente Land van Cuijk dan ook op ontslag op staande voet te staan. Maar waarom kreeg ze wel een transitievergoeding?

© Michel Knapen

Het leven van Karin Oploo* krijgt in oktober 2025 een onverwachte wending als een inwoner van Land van Cuijk inzage wil in haar eigen persoonsgegevens. Dan blijkt dat Oploo (1967), senior medewerker burgerzaken, in negen maanden tijd zeven keer de persoonsgegevens van die vrouw heeft bekeken en één keer die van haar moeder: acht keer een ‘niet-functionele’ raadpleging van de BRP. Oploo wordt op staande voet ontslagen, wat zij aanvecht bij de rechtbank Oost-Brabant.
Maar zij verliest haar zaak. Het ontslag is ‘onverwijld’ gegeven, samen met de reden van het ontslag,[1] zo spoedig mogelijk nadat de werkgever had ontdekt wat zij had gedaan en nadat het intern onderzoek daarnaar was afgerond. Voor dit ontslag bestond ook een ‘dringende reden’:[2] het zonder functionele reden de gegevens van twee inwoners in het BRP raadplegen. Oploo geeft dit toe maar zij vindt de sanctie onevenredig zwaar, wat voor haar disproportionele gevolgen heeft. Tijdens het raadplegen was zij psychisch in de war, stelt zij.
Ook die vlieger gaat niet op. Ja, er waren privéomstandigheden maar Oploo zag haar werk ook als een aangename afleiding daarvan. Het neuzen in de BRP is misbruik van een ambtsbevoegdheid en vormt een grote inbreuk op de integriteit die van een ambtenaar van de burgerlijke stand mag worden verwacht. Daarmee heeft zij de eis van goed ambtenaarschap geschonden. Dan kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig. De lange staat van dienst van Oploo (22 jaar) en het feit dat het ontslag voor haar grote financiële en persoonlijke gevolgen heeft, veranderen de kantonrechter niet van mening. Een billijke vergoeding zit er dan ook niet in.
Wel krijgt Oploo een transitievergoeding, waar zij ook om had gevraagd. Die hoeft een werkgever niet te betalen als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer.[3] De kantonrechter (uitspraak 1 april 2026) vindt het handelen van Oploo verwijtbaar maar niet ernstig verwijtbaar. Oploo snuffelde in de BRP toen zij vanwege privéomstandigheden emotioneel zwaar in de knoei zat. Ze was labiel, boos en radeloos. Ze lag in een scheiding die steeds heftiger werd. In het rapport van de huisarts staat dat zij negen maanden door haar ex is voorgelogen. Dat leidde tot ruzies en alcoholgebruik. Ze ontdekte in de telefoon van haar ex dat hij veel contact had met een vrouw. Iedereen in Oploo’s kring wist dat die ex een relatie had, niemand had haar dat verteld, waardoor zij heeft gebroken met haar vrienden. De huisarts spreekt van ‘paniek bij scheiding’ en verwijst Oploo door naar een psycholoog omdat ze haar huwelijk maar moeilijk kan loslaten en niet kan omgaan met het vreemdgaan door haar ex.
Wie was zijn nieuwe vriendin? De vrouw wiens gegevens Oploo heeft opgezocht in de BRP. Met die gegevens deed ze overigens niets en achteraf begrijpt ze ook niet waarom ze meermaals dezelfde gegevens heeft bekeken. Hoewel Oploo beter had moeten weten, zijn haar handelingen niet ernstig verwijtbaar. De gemeente moet Oploo de transitievergoeding betalen (€ 37.198 bruto). Haar baan is ze kwijt.

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBOBR:2026:2060
Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 9, 20 mei 2026.


[1] Art.677 lid 1 BW.
[2] Art. 7:678 BW.
[3] Artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW.

Ambtenaar licht zijn gemeente op met grondtransactie en krijgt daarvoor een taakstraf

Met trucjes en leugens wist een Zandvoortse ambtenaar de gemeente te bewegen grond te verkopen, ver onder de marktprijs, en waarbij hijzelf en zijn moeder voordeel zouden hebben. Waarom hoeft hij voor deze oplichting niet te zitten?

© Michel Knapen

Zo bont als Kevin Westduin* (1988) het maakte zie je niet veel. Het leek hem ook gemakkelijk af te gaan. Totdat werd ontdekt wat hij als ambtenaar van de gemeente Zandvoort óók deed, naast zijn gebruikelijke taken. Nu hangt hij.
Het lukte Westduin om aan het bestemmingsplan van Bentveld, een dorp in Zandvoort, flink te rommelen. Hij liet een perceel grond met de bestemming ‘groen’ wijzigen in de bestemming ‘wonen en tuin’. Vervolgens verkocht hij dit perceel, namens de gemeente, voor een prijs ver onder de marktwaarde. De koper: zijn eigen moeder. Daarvoor maakte Westduin gebruik van valselijk opgemaakte volmachten en een dito koopovereenkomst, beleidsnotitie, raadsstuk en mailadres. Met trucjes en leugens wist hij collega’s te misleiden en de gemeente te bewegen die grond te verkopen. Die grondtransactie (‘om niet of voor een symbolisch bedrag’) was zogenaamd bedoeld om tegemoet te komen aan bezwaren van buurtbewoners tegen woningontwikkelingen. Anderhalf jaar wist Westduin dit alles te verdoezelen, tot een oplettende collega erachter kwam.
Wat het Openbaar Ministerie betreft wordt deze valsheid en geschrift en oplichting, zeker begaan door een ambtenaar, zwaar gestraft. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bijkomende straf: ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van het beroep (juridisch) adviseur bij overheidsinstellingen, gedurende vijf jaar. De advocaat van Westduin vindt, gezien diens persoonlijke omstandigheden en zijn proceshouding, een geldboete passender. Ook omdat hij verder geen strafblad heeft. Niet de bak in: zonder werk kan hij de alimentatie voor zijn ex niet betalen en in het gevang kan hij zijn dochter nauwelijks meer zien.
De rechtbank tilt er zwaar aan dat Westduin zijn positie heeft misbruikt voor persoonlijk voordeel, daardoor het door de gemeente en de samenleving in hem gestelde vertrouwen heeft beschaamd en zo het imago van de overheid heeft aangetast. Het centrale gezag moet kunnen vertrouwen op de loyaliteit en betrouwbaarheid van de eigen ambtenaren.
Op het moment van levering had het perceel – dus met bestemming ‘wonen en tuin’ – een waarde van € 330.000. Westduin liet het door de gemeente aan zijn moeder verkopen voor € 15.000 en zou dus € 315.000 in zijn zak kunnen steken. Daarbij hoort volgens afspraken die strafrechters onderling zijn overeengekomen een gevangenisstraf van tussen de één en anderhalf jaar. Maar in dit geval is het voordeel niet gerealiseerd omdat de kadastrale inmeting vastliep, waardoor de oplichting en de valsheid in geschrift werden ontdekt. Westduin kreeg niet de kans te ‘genieten’ van zijn (ruim) drie ton. Het perceel is inmiddels teruggeleverd aan de gemeente, Westduin heeft een deel van de kosten die de gemeente heeft gemaakt al vergoed (€ 43.493).
Westduin komt er vanaf met een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, met een proeftijd van twee jaar. Een beroepsverbod is volgens de rechtbank (uitspraak 2 april 2026) niet noodzakelijk. Westduin zal geen Verklaring Omtrent het Gedrag kunnen krijgen en zonder VOG kan hij niet meer als ambtenaar aan de slag. Voert hij zijn taakstraf niet goed uit, dan moet hij alsnog 120 dagen zitten.

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBNHO:2026:3479

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 8, 6 mei 2026.

Jonge sociaal advocaten tevreden over inkomen en impact die ze hebben

De sociale advocatuur is voor veel jonge juristen geen vanzelfsprekende keuze. Op de universiteit is er weinig aandacht voor en het beeld is dat het werk in de sociale advocatuur eenvoudig is en dat je er een hongerloontje voor krijgt. Klopt allemaal niet, zeggen drie jonge sociaal advocaten in koor. Zij hebben bewust voor deze richting gekozen.

© Michel Knapen

Ze zijn er nog: jonge juristen die bewust kiezen voor de sociale advocatuur. Die niet vallen voor de (vermeende) glamour van de Zuidas, voor een tijdelijk verblijf in de VS of voor fijne bonussen. Neem Merve Cizrelioglu, die het belangrijk vindt dat je als advocaat ook een maatschappelijke rol hebt. “Daarbij kun je kwetsbare groepen bijstaan, zoals mensen met een minder dikke portemonnee .” Of neem Lianne Hooijmans, die het gewoon ‘fijn’ vindt om heel concreet mensen te kunnen helpen in een ‘inhoudelijk uitdagende’ werkomgeving. Want juist dát is de sociale advocatuur, zeggen ze.

Vrij onzichtbaar
Op zijn Amsterdamse (sociaal) advocatenkantoor AK Oost moet Sil van den Hoven tot zijn spijt toegeven: sociale rechtshulp leefde niet echt tijdens zijn studie aan de UvA. “De Zuidaskantoren maken veel reclame, ze strooien met snoepreisjes en sponsoren studieverenigingen. De sociale advocatuur was daar vrij onzichtbaar. Rechtenstudenten kiezen daarom eerder voor een snuffelstage bij een groot kantoor dan bij een sociaal kantoor.” Die laatste hebben ook minder middelen om te werven, is Van den Hovens ervaring. Willen sociaal advocatenkantoren echt meer kandidaten trekken, dan moeten ze op universiteiten zichtbaarder zijn, zo wil hij maar zeggen.

Niks afgeroomd
De ervaring van Lianne Hooijmans is niet anders. “Als de sociale advocatuur al ter sprake kwam tijdens mijn studie aan de UvA, was het: hard werken voor een hongerloontje. En juridisch inhoudelijk zou het ook al niet zijn: je bent vooral coach van mensen die het moeilijk hebben – dat was het beeld. Hard werken, dat klopt. Maar ik ben zelfstandig ondernemer en kan sturen op mijn omzet. Dan kun je prima verdienen, juist als je jong bent. Er wordt niks afgeroomd door en voor partners zoals collega-advocaten in loondienst overkomt bij commerciële kantoren.” Hooijmans is nu twee jaar advocaat bij Advocatenkantoor de Binnenstad (Amsterdam). Een maatschap – “toen ik solliciteerde wist ik niet dat ik ondernemer zou worden”.

Direct contact met cliënten
Merve Cizrelioglu is net als Hooijmans twee jaar advocaat. Ook tijdens haar studie (VU) was er niet veel aandacht voor de sociale advocatuur. “De universiteit ligt dichtbij de Zuidas, dus de focus lag op de commerciële advocatuur. Daar heeft mijn interesse nooit gelegen. Als advocaat wil ik juist in contact komen met mensen en hen kunnen helpen ” Als de faculteit meer rechtenstudenten in contact had gebracht met de sociale advocatuur, dan hadden meer mensen daarvoor gekozen, zo vermoedt Cizrelioglu. “Tijdens je studie krijg je een beeld van wat een advocaat doet. Feitelijk is dat het werk van een sociaal advocaat: je behandelt je eigen zaken, hebt direct contact met cliënten en staat regelmatig in de rechtszaal. Dat verschilt sterk van het werk op een groot kantoor, waar je je bezighoudt met het schrijven van stukken over bijvoorbeeld fusies en overnames. Dat is vooral advieswerk. Het directe cliëntencontact is beperkt, je zit voornamelijk aan de onderhandelingstafel en komt niet vaak in de zittingszaal.’’

Gladde jongens
Sil van den Hoven kwam via een andere route terecht in de sociale rechtshulp. Na de middelbare school studeerde hij geschiedenis. “Dat was heel idealistisch en links maar het bood geen handvatten om daadwerkelijk iets te veranderen. In 2020 zag ik de documentaire De laatste sociaal advocaten, over een advocatencollectief in Rotterdam. Daarna ben ik rechten gaan studeren en koos toen bewust voor deze afslag.” Als kind wilde hij al advocaat worden maar dacht toen ook: dit is iets voor gladde jongens met netwerken in de commerciële wereld. “Dat paste niet bij mij. Sociaal advocaten gaan op een gelijkwaardige manier om met cliënten. Dat sprak mij wel aan.” Tijdens zijn studie specialiseerde hij zich in het bestuurs- en sociaal-zekerheidsrecht. Na een korte periode bij de FNV stapte hij over naar het Amsterdamse Advokatenkollektief Oost, eerst als medewerker financiële administratie, in februari 2026 volgde zijn beëdiging.

Goed inkomen
Van vooroordelen – ‘soft en simpel’ – wil hij niet weten, het werk noemt hij ‘intellectueel erg uitdagend’. “Hoe zorg je ervoor dat iemand die niet zelfredzaam is, wel de juiste stukken verzamelt voor een aanvraag voor een uitkering? Ik doe echt betekenisvol werk. En ik ben ondernemer en mag dus mijn praktijk zelf vormgeven. Zoveel mogelijk uren schrijven is voor mijn patroon op dit moment minder belangrijk. Maar ook als sociaal advocaat kun je een goed inkomen verdienen. Het duurt alleen misschien wat langer.”

Impact
Cizrelioglu realiseert zich dat de verdiensten lager kunnen liggen dan in de commerciële advocatuur. “Maar mijn werk geeft me inhoudelijk veel: autonomie, mijn eigen zaken, direct contact met cliënten, impact. Dit alles weegt voor mij zwaarder dan het financiële aspect. Ik heb bewust gekozen voor hulp aan kwetsbare groepen. Dan lever ik maar iets in.” Zij ziet zichzelf niet snel de overstap maken naar de commerciële advocatuur. “Ik voel me hier echt op mijn plek.”

Normale mensen
Ook Lianne Hooijmans bestrijdt het negatieve imago rondom de sociale advocatuur. “Je kunt er een prima boterham mee verdienen, vooral als je jong bent. In mijn kantoor hebben bijna alle advocaten een koophuis, dat zegt wel iets. Ik werk in een gelijkwaardige maatschap en heb veel vrijheid. Mijn werk doet ertoe. De keerzijde: je moet wel houden van die verantwoordelijkheid.”Op dit moment doet Hooijmans regulier vreemdelingenrecht. Hiervoor werkte zij als juridisch adviseur bij Vluchtelingenwerk maar daar miste zij het contact met mensen. Ze stapte over naar de advocatuur en koos bewust voor een sociaal kantoor. “Eigenlijk had ik niet zo’n hoge pet op van advocaten. Ik vond ze glad, afstandelijk, duur en weinig maatschappelijk betrokken. Dat beeld had ik opgedaan tijdens mijn studie. Dat er ook een sociale advocatuur was, realiseerde ik mij pas toen ik bij Vluchtelingenwerk met advocaten ging werken. Toen dacht ik: advocaten zijn heel normale mensen.”

Onbekend terrein
Merve Cizrelioglu zit nu twee jaar bij Sociaal Advocaten Rotterdam, waar ze zich bezighoudt met familierecht en vreemdelingenrecht, binnenkort komt daar asielrecht bij. In de beroepsopleiding is zij de enige sociaal advocaat in haar groep, de anderen werken bij middelgrote of grote kantoren. “Zij tonen veel interesse in mijn werk. Voor hen is dit wel onbekend terrein. Ik hoor gelukkig ook wel eens: ik zit nu twee jaar bij een commercieel kantoor, misschien stap ik ooit over op de sociale advocatuur.”

Knop omzetten
En niet omdat het werk ‘relaxter’ is dan bij de grote kantoren, wat ook wel eens wordt gedacht. Cizrelioglu: “Hier gaat de deur echt niet om vijf uur dicht. We hebben te maken met een bijzondere cliëntengroep, wat andere kwaliteiten van je vraagt. Er komt veel emotie bij kijken en vaak is er ook sprake van multiproblematiek. . Je bent ook in gesprek met het wijkteam, met de schuldhulpverlener, met allemaal andere maatschappelijke organisaties of de gemeente. Eenmaal thuis kan zo’n zaak echt in je hoofd gaan zitten, de knop omzetten kan dan soms lastig zijn. Daardoor is de werkdruk niet anders dan in de commerciële advocatuur.”

Juiste keuze
Lianne Hooijmans hoort wel eens van voormalige medestudenten: “‘Jij zit in de sociale advocatuur? Wat goed zeg!’ Dan voel ik: ik heb de juiste keuze gemaakt.”

Gepubliceerd op Mr. online, 5 mei 2026.