Na een ziekte wil een ambtenaar haar werk niet hervatten: er is nog een geschil over haar functiewaardering. Handelde de gemeente verwijtbaar nu mede daarom de arbeidsovereenkomst werd ontbonden?
© Michel Knapen
Een gemeentelijk medewerker snippergroen, in welke salarisschaal hoort die? Maudy Bleijenbeek* (1960) vindt in ieder geval dat zij in die functie te weinig verdient. In april 2023 meldt zij zich ziek. De bedrijfsarts acht Bleijenbeek arbeidsongeschikt – niet op basis van ziekte maar door ‘samenwerkingsproblemen’. Gesprekken met een bedrijfsmaatschappelijk werker, de teamleider en de HR-adviseur leveren weinig op, re-integratie, werkhervatting en mediation komen niet van de grond.
Het arbeidsconflict is terug te voeren op Bleijenbeeks functiewaardering. De gemeente komt haar tegemoet (salarisschaal 7 wordt 8) maar Bleijenbeek vindt dat daarmee niet het gehele conflict is opgelost: zij wil financieel volledig worden gecompenseerd voor wat ze in de voorgaande jaren is misgelopen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op verzoek van de gemeente vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.[1] Zonder billijke vergoeding, wat Bleijenbeek in hoger beroep alsnog vraagt.
Bij het hof klaagt Bleijenbeek dat de gemeente te weinig deed om haar te herplaatsen. Bij een ontbindingsverzoek moet de werkgever onderzoeken of de werknemer aan de slag kan in een andere passende functie, al dan niet na scholing. In deze zaak liet Bleijenbeek weten pas aan het werk te gaan als de kwestie van de functiewaardering – die al vijftien jaar voortsleept – wordt geregeld. Maar wie zo’n voorwaarde op tafel legt, kan geen beroep doen op de herplaatsingsplicht. Bovendien: passende functies waren er niet. Bleijenbeek wijst nog op het samenwerkingsverband waar de gemeente bij is aangesloten. Maar degelijke verbanden en ook partnergemeenten zijn geen onderdeel van de organisatie waarover de herplaatsingsplicht voor de gemeente zich uitstrekt.
Volgens het hof heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden. Maar moet Bleijenbeek een billijke vergoeding krijgen nu de gemeente volgens haar verwijtbaar heeft gehandeld?[2] Want die is debet, zegt zij, aan de verstoorde arbeidsverhouding door de functiewaardering onvoldoende op te pakken.
Volgens de kantonrechter en het hof heeft de verstoorde arbeidsverhouding vooral betrekking op de weigering van Bleijenbeek het werk te hervatten. Op dat punt kan de gemeente niets worden verweten: die deed juist voldoende om de terugkeer naar het werk te faciliteren. Niet de discussie over de functiewaardering lag ten grondslag aan het ontbindingsverzoek, wel de onoplosbaar gebleken patstelling over werkhervatting. De situatie rondom de functiewaardering rechtvaardigt niet het uitblijven van medewerking van Bleijenbeek aan die werkhervatting, oordeelt het hof.
En zelfs al speelde de functiewaardering een rol bij de verstoring van de arbeidsrelatie, dan nog is dat niet ernstig verwijtbaar. Bleijenbeek heeft nooit bezwaar tegen het inschalingsbesluit of een herziening van haar functiebeschrijving ingesteld, iets wat zij vóór 2020 had kunnen doen, toen voor haar nog de Algemene wet bestuursrecht gold. Pas tien maanden na haar ziekmelding diende zij daarover een verzoek bij de gemeente in, die dat snel oppakte. Dat geldt ook voor de werkhervatting: de gemeente initieerde diverse gesprekken met Bleijenbeek, deed onderzoek naar de werkvoorraad en de inrichting van snippergroen, zette mediation in én herwaardeerde de functie. De gemeente heeft zich dus ingespannen om de problemen (de werkdruk en de functiewaardering) op te lossen zodat Bleijenbeek weer aan de slag kon. Dat Bleijenbeek eerste een volledige financiële compensatie wilde, valt de gemeente niet te verwijten. Zij krijgt geen billijke vergoeding.
* De naam is gefingeerd
ECLI:NL:GHARL:2026:5072
Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 16, 16 september 2026.
[1] Artikel 7:671b lid 1 onder a jo lid 2 BW en artikel 7:669 lid 3 sub g BW.
[2] Artikel 7:671b lid 9 sub c BW.