Leren van de klagende burger

Klachten van burgers over het ambtelijk apparaat worden vaak verre van adequaat afgehandeld. Veel eerstelijns klachtbehandelaars rommelen maar wat en in de tweede lijn weten ombudsmannen hun rol niet altijd goed te spelen.

© Michel Knapen

Caroline Koetsenruijter wordt er soms moedeloos van. Leest ze een jaarverslag van een ombudsman over de klachten die in behandeling zijn genomen. Maar vergelijkbare klachten kwamen het jaar daarvoor ook al voor, en het jaar dáárvoor ook al. Hebben ze in die gemeente dan niks geleerd van eerdere klachten van burgers?
Het lijkt inderdaad dat ze nauwelijks leren, zegt Koetsenruijter, directeur van Instituut KCB (Koetsenruijter Conflictmanagement & Bemiddeling). ‘Klachten worden geassocieerd met dienstverlening en dat is kennelijk voor veel gemeenten nog steeds geen thema. De gemeente is minder bezig met de ontvangende partij en dat zie je terug in hoe er met klachten wordt omgegaan.’
Daarom is de vraag wat de toegevoegde waarde is van ombudsmannen als tweedelijns klachtbehandelaar zo relevant. Koetsenruijter: ‘Ik zou graag zien dat zij meer eisen stellen aan de gemeente en dan met name hoe de eerstelijns klachtbehandeling eruit ziet. Maar dat mis ik.’
Bij de gemeente Utrecht heeft de Rekenkamer deze rol opgepakt, aldus Koetsenruijter, maar dat zou ook een ombudsman kunnen doen. ‘De conclusies van hun onderzoek waren niet mals maar hadden wel effect. In Utrecht wordt de interne klachtbehandeling steeds verder geprofessionaliseerd en hier wordt nu beter geleerd van klachten.’

Beroepsvoorziening
Wie een klacht heeft over een gemeente – denk aan te laat reageren of een onprettige bejegening– kan daarover een klacht indienen. Doorgaans wordt de klacht afgehandeld door een teamleider of collega die klachtbehandeling als neventaak heeft, de ‘eerstelijns klachtbehandelaar’. Geschiedt dat niet naar tevredenheid van de klager, dan kan deze de klacht voorleggen aan een ombudsman (de nationale of een lokale). Rechtstreeks klagen bij een ombudsman kan niet vanwege het wettelijke kenbaarheidsvereiste: de klager moet zijn klacht eerst kenbaar maken bij het bestuursorgaan zelf.
Een ombudsman is in zekere zin de beroepsvoorziening die kijkt of de eerste lijn zorgvuldig naar de klacht heeft gekeken. Die zou wel meer eisen moeten stellen aan de gemeente over de eerstelijns klachtbehandeling, vindt Koetsenruijter, en vooral duidelijk zijn. ‘Voor klachtbehandeling gelden allerlei regels en de ombudsman zou die moeten handhaven. Heeft de eerstelijns klachtbehandelaar de wet en de termijnen wel goed toegepast? Is er een hoorzitting geweest en is er een verslag opgesteld? Hoe worden informele interventies toegepast? En vooral: hoe wordt er nu precies geleerd van klachten?’
Het resultaat is echter: ‘brave jaarverslagen’ waarin de problematiek in te algemene bewoordingen wordt gepresenteerd, volgens Koetsenruijter. ‘Veel beter zou het zijn als ze echt laten zien dat ze de gemeente hebben aangesproken bij slechte klachtbehandeling. Dat ze hen voorhouden dat ze niet hebben gewerkt conform de Algemene wet bestuursrecht en aangeven wat er beter moet. Zo help je de gemeente met het verbeteren van het klachtproces. Je kunt evalueren om verantwoording af te leggen en je kunt evalueren om te verbeteren. Bij die laatste vorm moet je niet één schuldige aanwijzen maar zeggen waar het al goed gaat en ook waar het beter moet.’

Verdienconstructie
Er is nog een ander probleem. Tweedelijns klachtbehandelaars worden betaald door de gemeente. ‘Als zij gemeenten te veel in hun nek hijgen, dan kan deze zeggen: we stoppen met deze lokale voorziening en sluiten ons aan bij de Nationale Ombudsman of vice versa. Het kan geen kwaad om goed te kijken naar de verdienconstructie, want naast het hebben van een goede relatie met de gemeente, moeten ze wel voldoende kritisch zijn.’
Want bij veel gemeenten krijgen klachten onvoldoende prioriteit. Ambtenaren weten dat en dus durft Koetsenruijter de stelling wel aan: ‘Sommige ambtenaren hebben echt compleet lak aan klachten. Die roepen dan al snel tegen een inwoner om er vanaf te zijn: dient u maar een klacht in.’
Juist dán is een sterke ombudsman van belang, vindt ze. ‘Je moet een ombudsman hebben die een conflict niet uit de weg gaat. Eentje met haren op de tanden, die de organisatie aanspreekt en juist de interne klachtbehandelaar ondersteunt. Door te eisen dat deze professioneel moet zijn, goed opgeleid en zijn vak serieus moet uitoefenen net als een ombudsman zelf. Een ombudsman kan dus positief bijdragen aan professionalisering van klachtbehandeling. Veel eerstelijns klachtbehandelaars zouden hier juist mee geholpen zijn.’
De ombudsman kan het college, de gemeenteraad, de gemeentesecretaris of directie hierover inlichten. Het helpt al heel veel, zegt Koetsenruijter, wanneer we afscheid nemen van grote pools interne klachtbehandelaars die af en toe een klacht behandelen. Want wat je zelden doet, doe je zelden goed. Kies voor een kleinere club professionals die veel vlieguren maken, die competent zijn in klachtbehandeling, die verstand hebben van het klachtrecht én goed communiceren. Zolang dat niet gebeurt krijg je van die flauwe aanbevelingen in het jaarverslag.’

Klachtencommissaris
Die boodschap is goed geland in Enschede, waar in de gemeenteraad in 2015 de zogenoemde klachtencommissaris heeft ingesteld. Dit instituut staat los van de gemeente en behandelt alle eerstelijnsklachten over de gemeente. Ninke van der Kooy is tegenwoordig de klachtencommissaris.
De functie werd ingesteld na de decentralisatie van de drie sociale domeinen. De raad van Enschede wilde inzicht hebben op de invoering daarvan en vond ‘klachten’ een geschikt criterium om te kijken of het goed ging. De klachtencommissaris ging vanaf de start echter over alle sectoren, dus ook buiten het sociale domein. Vóór 2015 werden klachten afgehandeld door de vakafdeling en verliep het via een teamleider of directeur. Enschede is aangesloten bij de Nationale Ombudsman, en heeft geen eigen ombudsman.
De klachtencommissaris is een eerstelijns klachtbehandelaar. Klachten komen bij een ambtenaar binnen en het beste is wanneer deze het oplost. Deze kan de klacht ook doorsturen naar de klachtencommissaris maar burgers mogen ook rechtstreeks klagen bij de klachtencommissaris. Van der Kooy: ‘Ik zie mezelf als een interne toezichthouder, het steentje in de schoen. Ik vertaal de klacht van de burger in de taal van de gemeente. Wat ik doe wordt niet altijd als even wenselijk gezien. Ik ben hard op de zaak maar zacht op de mens.’
Kijk, zegt Van der Kooy, een burger wil helemaal geen klager zijn. ‘Dat kost alleen maar energie en tijd. Brieven schrijven, naar hoorzittingen gaan. De klachtencommissaris kan zorgen voor interventie. Hij kan de burger direct helpen of hij kan een ambtenaar aansporen om de klacht snel af te wikkelen.’
Dat doet de klachtencommissaris heel ‘breed’. Zo had de gemeente op haar website een Q en A geplaatst over de eikenprocessierups, maar die was, aldus Van der Kooy, nogal technisch. ‘Burgers maken zich vooral zorgen over hun gezondheid, over bultjes die hun kinderen krijgen. Ik heb geadviseerd: zet dát er ook eens in. Zo kun je klachten ook voorkomen.’
De Enschedese klachtencommissaris wordt ondersteund door een klachtbehandelaar en een procesondersteuner. De klachtencommissaris heeft direct toegang tot de burgemeester en de gemeentesecretaris, hoeft geen rekening te houden met politieke gevoeligheden – opereert dus onafhankelijk – en heeft voldoende budget. Van der Kooy noemt deze aanpak uniek: ‘Elders is de klachtafhandeling versnipperd, hier juist geconcentreerd, hoewel andere gemeenten wel lightversies kennen.’ In 2017 werd, na twee jaar klachtencommissaris, een rekenkamerrapport opgesteld. ‘Dat was positief. Wel wilde het college daarna bezuinigen op de klachtencommissaris maar de raad hield dat tegen. Klachtafhandeling is een vak, het wordt er vaak een beetje bij gedaan maar dat kan echt niet.’

Loyaliteitsconflict
Dat laatste wordt volmondig beaamd door Josje Jap Ngie, onderzoeker bij de Ombudsman Amsterdam Metropool. Als klachtenbehandeling niet professioneel wordt aangepakt, stapelen de problemen zich op. Zo kan de teammanager, die een klacht over een ambtenaar behandelt, in een loyaliteitsconflict komen. ‘Hij zit in een spagaat tussen zijn medewerker en de burger’, zegt Jap Ngie. ‘Wat je ook ziet is dat ambtenaren een klacht heel persoonlijk opvatten. Het raakt hen echt. Je moet dan over middelen beschikken om daar doorheen te komen. Daarnaast is een medewerker bezorgd voor zijn functioneren nu er over hem wordt geklaagd, en wil de teammanager tegelijkertijd zijn medewerker niet afvallen.’ Dat alles maakt een objectieve kijk op de klachtafwikkeling extra moeilijk.
Jap Ngie vindt dan ook dat klachtafdeling door een onafhankelijke, daarvoor speciaal aangestelde, medewerker moet plaatsvinden, in samenwerking met de teamleider. ‘Dan waarborg je ook het leren van klachten.’
Een goede klachtbehandelaar heeft andere competenties dan een teamleider. ‘Deze moet niet bang zijn om de confrontatie aan te gaan. Vaak gaat achter een klacht een hulpvraag van een burger schuil. Die moet je leren onderkennen. En ook hoe je ermee omgaat nu er tussen de overheid en de burger een kennis- en machtsverschil bestaat. Om klachten correct af te handelen is daarom een cultuurverandering nodig bij gemeenten en diensten.’ Maar, geeft ze toe, dat is iets van de lange adem.
Jap Ngie: ‘Het begint bij de erkenning dat klachtafwikkeling een vak apart is. Dat bewustzijn moet veel meer indalen bij gemeenten.’

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 14, 10 juli 2020.

Vrijspraak na fikkie stoken, wel ontslag

Een vrijwillige brandweerman wordt ervan beschuldigd betrokken te zijn geweest bij twee brandjes. De strafrechter spreekt hem daarvan vrij. Mag zijn werkgever hem dan alsnog disciplinair straffen?

© Michel Knapen

Was Fred Keilen* de bijna spreekwoordelijke brandweerman die zelf het meest geniet van een fikkie? Sinds 2012 is hij vrijwilliger bij de brandweer van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg. Twee jaar later komt hij in vaste dienst, weer drie jaar vliegt hij eruit. Keilen zou namelijk – dan nog als vrijwilliger – betrokken zijn geweest bij twee branden: een strobalenbrand en, twee weken later, een palletbrand. Het bestuur van de veiligheidsregio spreekt van ernstig plichtsverzuim en zegt het ontslag aan, wat Keilen aanvecht. Zijn argument: de strafrechter heeft hem al vrijgesproken van medeplichtigheid. Onschuldig dus – hoe kan het bestuur hem dan betichten van plichtsverzuim? Nou, die heeft ondanks de vrijspraak van de strafrechter de overtuiging dat Keilen iets met de branden te maken heeft gehad.
Het bestuur van de veiligheidsregio baseert dat op een verklaring van Keilens collega. Die zei dat hij samen met een andere collega deze brand heeft gesticht en dat Keilen hen, wetende wat zij gingen doen, met de auto heeft gebracht en gehaald. Keilen is dus medeplichtig. De strafrechter noemt deze verklaring gedetailleerd, maar het verhaal wordt niet ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het is dus onvoldoende voor een bewezenverklaring: unus testis nullus testis. Ofwel: één getuige is geen getuige. Wat de palletbrand betreft stelt de strafrechter dat de verklaring van de collega weinig concreet is en bovendien ‘van horen zeggen’. Dat is ook al geen sterk bewijs, zodat Keilen ook daarvan wordt vrijgesproken.
Maar in het bestuursrecht gelden minder strenge bewijsregels dan in het strafrecht. Het bestuur acht de verklaringen van Keilens collega over de betrokkenheid van Keilen bij de twee branden wel degelijk geloofwaardig. Keilen draait de zaak om: niet hij moet de verdenking wegnemen, het bestuur moet aantonen dat hij de brand wel zou hebben gesticht.
Na de strafrechter kijkt de bestuursrechter van de rechtbank Limburg (Maastricht) naar deze kwestie. Die stelt vast dat een vrijwilliger bij de brandweer valt onder het rechtspositiereglement CAR/UWO. Dat houdt onder andere in dat ook een vrijwilliger die zich schuldig maakt aan plichtsverzuim, disciplinair kan worden gestraft, zoals met ongevraagd ontslag.
Van belang hierbij is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Publieke organen en autoriteiten mogen niet, na een strafrechtelijke vrijspraak, in een latere bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels uiten over de onschuld van een betrokkene. Maar verklaringen die ten grondslag liggen aan een vrijspraak mogen wel anders worden ingekleurd. Zo gelooft het bestuur de verklaring van Keilens collega wel degelijk. Keilen heeft weliswaar een alternatief scenario geschetst en uiteengezet waarom de verklaring van de collega niet betrouwbaar is, maar heeft dit niet met stukken onderbouwd.
Keilen verwijst ook naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep: er moet voorzichtig worden omgegaan met verklaringen van collega’s en er is in beginsel nader onderzoek nodig om die verklaringen te verifiëren. Desondanks, aldus de bestuursrechter in zijn uitspraak van 2 april 2020, kan plichtsverzuim worden gebaseerd op een verklaring van een collega, zeker nu deze gedetailleerd is, en zelfs nu de collega heeft aangegeven dat hij Keilen heeft ‘overgehaald’ mee te werken aan de strobrand. Voor een brandweerman die liever stookte dan bluste, is ontslag een terechte sanctie.

* De naam is gefingeerd.

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 14, 10 juli 2020.

‘Coronamaatregelen rechtspraak zijn weinig gedurfd’

Veel vaker een enkelvoudige kamer bij een strafzitting, avondopenstellingen, gepensioneerde rechters inschakelen en meer strafbeschikkingen. Met die maatregelen proberen de rechtspraak en het OM de corona-achterstanden in te halen. Je moet wát, zeggen spelers uit het veld. Maar de handen gaan niet echt op elkaar. ‘Van veel durf en doorzettingsvermogen is geen sprake.’

© Michel Knapen

Zo heeft de Nederlandse Orde van Advocaten er ‘begrip’ voor dat het kabinet de achterstanden in de strafrechtketen wegens de coronabeperkingen wil aanpakken. Maar daarmee lijkt het goede nieuws al te zijn verteld. Even gereserveerd is de Nederlandse Vereniging van Jonge Strafrechtadvocaten. Voorzitter Joren Veldheer benadrukt dat deze oplossingen niet ten koste mogen gaan van de rechten van verdachten. ‘Daarom is maatwerk en communicatie met alle procespartijen, dus ook de advocatuur, cruciaal voor het slagen van de plannen.’
Veldheer vindt dat advocaten in een vroeg stadium moeten worden betrokken bij de vraag of een strafzaak zich leent voor enkelvoudige afdoening in plaats van meervoudig. ‘Er zijn immers genoeg redenen waarom een zaak zich daar niet voor leent, bijvoorbeeld als deze juridisch complex is. Daarnaast hebben wij principiële bezwaren tegen het in eerste aanleg én hoger beroep standaard enkelvoudig afdoen van strafzaken die normaal gesproken meervoudig zouden worden behandeld. Die zaken zouden immers niet voor niets oorspronkelijk door drie rechters worden behandeld. Daarvoor is per zaak overleg met de advocaat noodzakelijk, overigens ook voor het plannen van avondzittingen.’
Het afschalen van zaken naar een enkelvoudige zitting heeft ook negatieve financiële gevolgen voor de strafrechtadvocatuur, aldus Veldheer. ‘Die moeten hoe dan ook worden gecompenseerd door het ministerie. De tijd die aan de voorbereiding van de zaak zal moeten worden besteed is immers niet anders nu de zaak voor de enkelvoudige rechter zal worden behandeld, terwijl de advocaat daardoor wel minder krijgt betaald op basis van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand.’

Strafbeschikkingen
Joep Lindeman, universitair hoofddocent straf(proces)recht aan de Universiteit Utrecht kan zich niet vinden in het plan meer zaken af te doen met strafbeschikkingen. ‘Daarmee span je het paard vooral achter de wagen’, zegt hij. ‘Ondanks alle inspanningen van het OM werkt dit systeem nog niet goed genoeg.’ Volgens Lindeman zijn er andere manieren die óók tot minder rechterlijke bemoeienis zal leiden. ‘Iedereen kent de voorbeelden van apert onredelijke beslissingen, onnavolgbare correspondentie en Oost-Indisch dove OM-medewerkers. Het gevolg: onnodige procedures, waarin de officier dan een lagere straf, geen straf of zelfs vrijspraak eist.’
Ook ziet Lindeman dat vaak verzet wordt ingesteld of dat de executie van geldboetes mislukt. Om die redenen, rekent hij voor, moesten in 2019 bijna 40 duizend strafzaken alsnog naar de rechter: 7.500 misdrijven en 31.000 overtredingen. ‘Let wel: dat was ná het sepot van al 40 procent van die zogenoemde herinstroom. Dat betrof veelal mislukte executies en na al die tijd werd het belang van de zaak te gering geacht.’

Andere oplossingen
Lindeman, die drie jaar geleden promoveerde op Officieren van justitie in de 21e eeuw, ziet andere oplossingen die ertoe leiden dat de rechter het minder druk krijgt. Zo dient de acceptatiegraad van de strafbeschikkingen te worden verhoogd, en daarmee de betalingsbereidheid. Ook moet het executietraject worden verbeterd. En gezien de vele sepots achteraf zou het opportuniteitsbeginsel aan de voorkant kritischer moeten toe worden toegepast. En: ‘De wetgever zou moeten overwegen om voorwaardelijke strafbeschikkingen mogelijk te maken – iets waar het OM overigens al tijden om vraagt en wat met name bij de ontzegging van de rijbevoegdheid veel zal uitmaken.’
Ook vraagt Lindeman zich af of het niet eens tijd wordt voor een decriminaliserings-ronde. ‘De strafrechtketen slibt dicht met flauwekulzaken, zoals over het verkeerd aanbieden van huisvuil of tieners die een kwartier na sluitingstijd nog op een speelpleintje hangen. Ironisch genoeg is de coronacrisis – met de onbeholpen en ogenschijnlijk willekeurige strafrechtelijke handhaving van regels die bijna niemand begrijpt – een uitstekend voorbeeld: tienduizenden op voorhand al discutabele zaken erbij.’
Veldheer (NVJSA) is ook kritisch over het afdoen van strafzaken via strafbeschikkingen. Hij vindt dat verdachten hoe dan ook moeten worden gehoord vóórdat een strafbeschikking wordt opgelegd én dat voor deze zaken adequate rechtsbijstand moet worden geregeld. ‘Niet kan worden volstaan met een boete op de deurmat, terwijl deze zaken onder ‘normale omstandigheden’ zouden zijn behandeld door de rechter.’

Vinger aan de pols
De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft ‘waardering’ voor de plannen van het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak, zo laat de NVvR weten in een verklaring op haar website. Deze week organiseert de vereniging van rechters en officieren van justitie een speciale online werkconferentie met haar leden over de positie waarin de rechtspleging zich nu bevindt en hoe ze verder kunnen.
‘De rechtspleging staat al langer onder druk. Het moet ook nu voor onze mensen werkbaar en mogelijk blijven om de kwaliteit te leveren waar de burger recht op heeft. Dat is voor ons een voorwaarde. Daarbij is het van groot belang dat de magistraat in iedere individuele zaak maatwerk kan blijven leveren. Die professionele ruimte moeten magistraten kunnen nemen en daarvoor moet de organisatie voldoende ruimte bieden.’ Heel gerust op de plannen van de rechtspraak lijkt de NVvR niet te zijn: ‘Als vakvereniging houdt de NVvR de vinger aan de pols als het gaat over de uitvoerbaarheid en de effecten van deze plannen in de praktijk.’

Gepensioneerde rechters
Een ander voorstel van de rechtspraak: gepensioneerde rechters inschakelen om de corona-achterstanden weg te werken. Het principe dat rechters hun werk na hun 70e niet meer kunnen en mogen doen, wordt daarmee dus losgelaten. ‘Eindelijk’, zegt Willem Korthals Altes, tot 1 januari 2020 seniorrechter rechtbank Amsterdam. ‘Daar heb ik in mijn inmiddels drie jaar durende strijd lang gehoopt.’
Hij noemt het ‘wonderlijk’ dat deze stap niet veel eerder is genomen. ‘In november 2019 – dus lang voor de corona-invasie – kondigde de Raad voor de rechtspraak al met veel tamtam aan dat pensionado’s voor het wegwerken van achterstallige zaken zouden worden opgeroepen. Jammer is ook dat wordt voorgesteld de regeling een tijdelijk karakter te geven. Van veel durf en doorzettingsvermogen is dus geen sprake.’

Geest is uit de fles
Maar, zegt Korthals Altes: de geest is uit de fles en het zal moeite kosten hem er weer in te krijgen. ‘Want men zal inzien dat 70-plusrechters een nuttige en noodzakelijke bijdrage aan de rechtspraak kunnen leveren.’ Hij heeft zich dan ook meteen aangemeld. ‘Ik ga na zes maanden gedwongen rust graag weer aan de slag. Ik ben benieuwd hoeveel van mijn tijdgenoten mij daarin zullen volgen. Op de lijst van in aanmerking komende ex-rechters staan, zo heb ik begrepen, ongeveer honderd namen. Van hen zijn velen vast doelbewust met pensioen gegaan, en lang niet iedereen heeft ervaring in het strafrecht. Het is een begin – ik zie nieuwsgierig naar het vervolg uit.’

Gepubliceerd op: mr-online.nl, 30 juni 2020.

Platform Lupl, voor dossieropbouw en cliëntcommunicatie, wil de markt veroveren

Drie internationale advocatenkantoren – waaronder CMS – werken samen met juridische afdelingen van grote bedrijven aan een nieuw platform waarmee dossieropbouw en communicatie met cliënten soepeler zal verlopen. Het heet Lupl, en zal over enkele maanden beschikbaar zijn.

© Michel Knapen

‘Waar heb ik dat ene document ook al weer opgeslagen?’
‘Waarom kan ik dat ene mailtje niet meer vinden?’
‘Heb ik dat telefoontje naar die cliënt wel of niet geregistreerd?’
Menig advocaat stelt zich regelmatig dergelijke vragen, en Katja van Kranenburg zelf ook, geeft ze toe. Maar over enige tijd zou dat niet meer hoeven, want dan is ‘Lupl’ voor iedereen beschikbaar.
Van Kranenburg is partner bij CMS in Nederland en haar kantoor – dat wil zeggen: CMS Internationaal – is een van de founding fathers van Lupl, naast twee andere advocatenkantoren (Cooley, Verenigde Staten en Rajah & Tann Asia, Singapore). Dat is een nieuwe online dienst waar advocatenkantoren en hun cliënten over de hele wereld baat bij kunnen hebben.

Platform
Sinds twee jaar zitten CMS, Cooley en Rajah & Tann en een groot aantal general counsel van grote internationale bedrijven (zoals Unilever, Airbnb en Deutsche Bank) om tafel en bespreken het gebruik van technologie en de manier waarop mensen (advocaten, cliënten, bedrijfsjuristen) samenwerken en communiceren. Op dat terrein is al veel geïnnoveerd maar de vraag die op tafel lag was: wat ontbreekt er nog? Van Kranenburg, een van de bijna twintig CMS’ers die eraan meewerkt: ‘Ofwel: wat kun je met elkaar ontwikkelen wat samenwerken met cliënten en andere advocaten nog makkelijker maakt?’
Daaruit rolde ‘Lupl’ . Een platform dat kan worden gebruikt op de smartphone, laptop en desktop met als doel om alles waarop een juridische kwestie betrekking heeft (zoals mensen, documenten, informatie, mededelingen en technologie-applicaties) op één veilige plaats te synchroniseren, waardoor advocaten en juridische afdelingen beter en efficiënter kunnen samenwerken aan complexe juridische zaken.
Van Kranenburg opent Lupl op haar telefoon en laat zien hoe snel een nieuw dossier kan worden aangemaakt en hoe mensen – binnen het kantoor, en daarbuiten, dus ook cliënten – kunnen worden toegevoegd. ‘Dat is toch anders dan hoe wij nu werken. Nu open ik een digitaal dossier in een document management systeem, communiceer ik met cliënt via de mail, mijn collega stuurt hem later een appje. En we communiceren via Microsoft Teams. ’

Eén centrale plek
Waarom toch iets nieuws? ‘’Iedereen gebruikt andere systemen’, zegt Van Kranenburg. ‘En ze zijn lang niet altijd specifiek ontworpen voor de juridische markt, Lupl juist wel. Met Lupl ga je naar één centrale plek waar mensen, conversaties, documenten en data samenkomen. Met wie je ook werkt, intern, extern, hoe je ook communiceert – via appjes, e-mails, Teams, Zoom, Skype – alle activiteitenkomen digitaal samen op één plek. Dus samen werken aan een zaak waarbij het niet uitmaakt welke systemen de ander gebruikt. Iedereen kan zijn eigen systemen blijven gebruiken en Lupl brengt deze samen. ’
Van bestanden en conversaties kan worden aangegeven wie wat mag zien en wie waarvoor is geblokkeerd. Iedereen behoudt het beheer van zijn eigen data. Op dit moment bevindt Lupl zich nog in de testfase, begin 2021 gaat het live. Dan kan ieder bedrijf, ook advocatenkantoren, Lupl gaan gebruiken. Van Kranenburg: ‘Ongeacht welk systeem je in je eigen kantoor gebruikt, je kunt altijd aanhaken. Wat de kosten zijn is nog niet bekend. Maar je hoeft als kantoor zelf niet tonnen te investeren om zoiets zelf te bouwen. Het bijzondere is de open aanpak waardoor álle juridische afdelingen en advocatenkantoren ter wereld Lupl kunnen gebruiken.’
Bestanden opslaan en delen, dat kan toch ook in de cloud? Dat beaamt Van Kranenburg. ‘Het punt is dat iedereen met verschillende clouddiensten werkt en dat maakt samenwerken soms onnodig ingewikkeld. Lupl biedt de oplossing door alle functionaliteiten zoals bestaande clouddiensten te integreren en samen te brengen op één plek. De hele juridische wereld zal veel efficiënter kunnen werken.”

Ontwikkelingskosten

De eerste kennismaking met Lupl is voor Jeroen Plink, CEO van Clifford Chance Applied Solutions, nog wat onduidelijk, ook al werkt hij al twintig jaar in de legal technology en innovatie. Clifford Chance Applied Solutions is een dochteronderneming van Clifford Chance, en houdt zich bezig met het bouwen van oplossingen voor bedrijfsjuridische afdelingen. ‘Lupl lijkt het meest op een matter management/document management applicatie’, zegt hij vanuit New York, waar hij tegenwoordig werkt.
Bij Clifford Chance hebben ze voor document management/file sharing hun eigen applicaties. Veel cliënten maken gebruik van bepaalde Clifford Chance extranet-applicaties en er zijn systemen zoals cloud-based document en matter management.
Of Clifford Chance ook Lupl gaat gebruiken, valt niet binnen Plinks portefeuille, zegt hij. ‘Als Lupl daadwerkelijk problemen oplost die nu nog niet worden opgelost zal er zeker interesse zijn om er serieus naar te kijken. Maar zonder extra informatie is het moeilijk te bepalen of Lupl inderdaad een onopgelost probleem oplost en zo ja of het voldoet aan de criteria die Clifford Chance stelt voor nieuwe applicaties, zeker als het gaat om het waarborgen van vertrouwelijke cliëntgegevens. Maar het is goed om te zien dat er ondersteuning is van cliënten. Deze interesse geeft zeker aan dat er een waardevol probleem wordt geprobeerd op te lossen.’
Van de – naar verluid – ruim 10 miljoen dollar aan ontwikkelingskosten schrikt Plink niet. ‘Op zich is dat niet een heel hoog bedrag, al is mijn visie wel enigszins vertekend door mijn jarenlange verblijf in de VS waar alles duurder is. Het is geruststellend dat het serieus wordt aangepakt gezien de noodzaak voor goede bescherming van vertrouwelijke cliëntgegevens. Te vaak hoor ik het misverstand ‘bouw even snel een app’. Overigens denk ik dat er een verschil is tussen investering in het bedrijf en het ontwikkelen. Ik kan me goed voorstellen dat een deel van de 10 miljoen wordt aangewend voor de go to market strategie en dus niet alles naar pure software ontwikkeling gaat.’

Concurrentie
Wouter Dammers, verbonden aan het Tilburgse IT-advocatenkantoor Lawfox, wil de verwachtingen over Lupl wel wat temperen. ‘Wij gebruiken voor het opbouwen van dossiers de applicatie Clio, en Lupl lijkt daar wel erg veel op. Ook in Clio kan je zaken en contacten beheren, uren en vaste prijzen bijhouden en facturen opmaken en versturen, kan je telefoonnotities en documenten toevoegen en agenda’s integreren, en het één en ander delen met geselecteerde kantoorgenoten en cliënten. In die zin voegt Lupl geloof ik niet veel toe. Wel is het goed dat er wat concurrentie is op het gebied van software voor kantoormanagementprogramma’s. Dan valt er wat te kiezen.’

Gepubliceerd in: Advocatenblad 6, 2020.

Ambtenaar wordt extra zwaar gestraft

Ambtenaren die zich schuldig maken aan knevelarij – het komt nauwelijks voor. Toch is het risico dat ambtenaren in contact komen met justitie aanzienlijk, zegt strafrechtadvocaat Anne Marie de Koning. Vooral omdat collega’s de plicht hebben dat te melden.

© Michel Knapen

Wie bij de overheid werkt is én ambtenaar én werknemer. Moeten zij nu dubbel oppassen?
‘Er zijn bepaalde misdrijven die kunnen worden begaan door eenieder, zoals valsheid in geschrift. Maar doet een ambtenaar dat, dan kan hij daarvoor een zwaardere straf krijgen, tot wel een derde meer dan een niet-ambtenaar kan krijgen. Wel moet er een relatie zijn met het werk. Wordt een ambtenaar betrapt op winkeldiefstal, begaan buiten de uitoefening van zijn functie, dan is dat geen grond voor strafverzwaring. Maar als een politieambtenaar een geweldsmisdrijf pleegt, dat wordt hem dat extra aangerekend: juist hij zou beter met geweld moeten kunnen omgaan.’

Waarom is de strafwet zo streng voor ambtenaren?
‘Ambtenaren dienen het publieke belang. Daar wordt behoorlijk zwaar aan getild, niet alleen in lagere rechtspraak maar ook door de Hoge Raad. Er wordt gewoon meer van ambtenaren verwacht. Ze gaan over grote bedragen, ze hebben veel zeggenschap over ontheffingen en vergunningen. Dat brengt een grote vrijheid en invloed met zich mee. Ambtenaren kunnen in grote mate het leven van mensen bepalen, zie de ambtenaren van de Belastingdienst die over de toeslagen gingen. Met die vrijheid komt ook een extra verantwoordelijkheid. Dus áls je het verprutst, dan hang je ook goed, is de gedachte.’

Waar is dit risico op ambtsmisdrijven hoogst: bij gemeentes, provincies of het rijk?
‘De meeste ambtsmisdrijven gebeuren daar waar ambtenaren werken aan de meest vitale processen in de maatschappij. Dat is bij gemeenten. Zo is de Bibob-procedure gevoelig voor het aannemen van steekpenningen. In het algemeen worden de meeste ambtsmisdrijven gepleegd rond het verlenen van vergunningen. Daarnaast zie je met enige regelmaat valsheid in geschrift, als bijvoorbeeld termijnen worden aangepast in een officieel stuk.’

Niet iedere ambtenaar zal de strafwet uit z’n hoofd kennen.
‘Dat betekent dat je je als ambtenaar zou moeten bijscholen over wat strafbare feiten en ambtsmisdrijven zijn. Valsheid in geschrift kennen ze zeker als misdrijf. Maar een cadeautje aannemen, kan dat wel? Of je laten beïnvloeden? Er is een grijs gebied, van veel dingen is het niet duidelijk of het een strafbaar feit is. Bij twijfel kun je beter met iemand overleggen, want je kan snel over de grens gaan. Stel een trouwambtenaar heeft zijn werk goed gedaan. Een stel kon soepel in ondertrouw en is daarna vlot getrouwd. Als je daarna een bloemetje aanneemt is dat geen strafbaar feit, het is zelfs geen twijfelgeval. Een uitnodiging aannemen voor het huwelijksfeest kan meestal ook. Maar als daarna een neef komt en die verwijst naar die uitnodiging, en hij vraagt of je een bepaald document nu snel kunt afhandelen, dan kan het mis zijn. Zo kan er toch twijfel zitten in de voorfase, bij dat onschuldig ogende cadeautje. Je kunt al worden gemanipuleerd ver voordat echt sprake is van een strafbaar feit. Het kan dus een opmaat zijn naar een delict terwijl je het dan helemaal nog niet door hebt.’

Veel wat ambtenaren verkeerd doen, zal onder de pet blijven.
‘Dat zal heus wel, maar er geldt een wettelijke aangifteplicht. Weet jij als ambtenaar dat een collega – en zelfs de burgemeester – een strafbaar feit pleegt in zijn hoedanigheid als ambtenaar, dan ben je verplicht daarvan aangifte te doen. Doe je geen aangifte, dan ben je zelf ook laakbaar. Stel, je werkt bij de Belastingdienst en je merkt dat iemand bezig is met het ten onrechte terugvragen van toeslagen, dan moet je daarvan aangifte doen.’

Direct naar de politie stappen?
‘Als je een vermoeden hebt, dan kun je beter eerst naar een vertrouwenspersoon binnen de gemeente gaan. Met hem of haar kun je bespreken hoe sterk het vermoeden is of je de beschuldiging kan staven. Het is natuurlijk nogal wat dat je je eigen collega beschuldigt, dus dat moet wel verantwoord gebeuren. Als het goed is heeft elke gemeente een vertrouwenspersoon. Is dat niet zo, dan moet je iemand zoeken buiten de organisatie, bijvoorbeeld een advocaat. Dan ben je als ambtenaar ook goed ingedekt en het is veiliger dan iemand ten onrechte beschuldigen. Je hebt in ieder geval niet gezwegen en dus voldaan aan je wettelijke plicht. Door die aangifteplicht is het risico dat een ambtenaar in contact komt met justitie in verband met een ambtsmisdrijf aanzienlijk.’

Maar klikken is ook al zo wat.
‘Inderdaad, maar het is een wettelijke plicht. Doe je het niet, dan kan dat vergaande consequenties hebben. Onder omstandigheden is niet melden op zich al strafbaar. Je kan op staande voet worden ontslagen. Als je erover zwijgt, laat je het misdrijf feitelijk voortduren. Dat kan worden uitgelegd alsof je het misdrijf verhult, of dat je er min of meer aan meedoet. Dan kun je medeplichtig zijn aan dat misdrijf en dan ben je zelf ook weer strafbaar. Maar ik geef toe: klikken heeft iets NSB-achtigs. Dat is uiteindelijk dan ook niet de juiste weg.’

Welke weg is dan beter?
‘Creëer een just culture binnen je overheidsorganisatie. Belangrijk is immers de zelfreinigende functie van de dienst. Daarvoor zou je moeten inzetten op een open cultuur waarin kan worden gesproken over wat wel en niet kan. Je kunt tijdens de werklunch casus over integriteit bespreken. Ik krijg een bloemetje van een burger, kan ik dat aannemen? Of een groter cadeau? Een just culture houdt ook in dat bij gevoelige procedures – zoals Bibob en bij bouwvergunningen – altijd meer mensen op één zaak zitten, het vierogenprincipe. Laat nooit iemand dat in z’n eentje laten opknappen, want één persoon is makkelijker te manipuleren dan twee of vier mensen. Met zo’n just culture valt veel meer winst te behalen dan achteraf iemand te vervolgen en te straffen. Dat past ook goed bij de governance bij overheden. Neem de Roermondse wethouder Jos van Rey, veroordeeld voor onder andere omkoping. Hij is wel gestraft maar wat leren we als samenleving daar nou van?’

 

Wnra en ambtsmisdrijven
De Wet normalisering rechtspositie ambtenaren – die van ambtenaren ‘gewone werknemers’ heeft gemaakt – heeft in strafrechtelijke zin niets veranderd. Overheidswerknemers kunnen nog steeds ambtsmisdrijven begaan. ‘Voor toepasselijkheid van de ambtsmisdrijven is er niets gewijzigd’, zegt strafrechtadvocaat Anne Marie de Koning, verbonden aan Sennef de Koning van Eenennaam Advocaten. ‘De Hoge Raad heeft altijd een heel ruim ambtenarenbegrip gehanteerd. Iedereen die werkt in overheidsdienst is ambtenaar en kan ambtsmisdrijven begaan.’

 

Knevelarij
Rechtszaken over knevelarij komen weinig voor. De zoekterm ‘knevelarij’ levert op rechtspraak.nl 33 resultaten op, voor overigens fors minder zaken. Zo zijn er alleen al over de kwestie rond een Nijmeegse ambtenaar-directeur vier rechtszaken gevoerd. In 2012 wordt de toenmalige directeur van de Maatschappij tot Exploitatie van de Nijmeegse Schouwburg en Concertgebouw NV (de gemeente Nijmegen is de enige aandeelhouder, waardoor de man ook ambtenaar is) door de rechtbank Arnhem veroordeeld voor knevelarij. Hij had enkele jaren eerder van een cateringbedrijf een bedrag van ruim 10.000 euro gevraagd voor een – niet nader omschreven – wederdienst. Het kostte hem zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk. In hoger beroep spreekt het gerechtshof Arnhem over ‘het als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen’. Het hof veroordeelt de man tot 180 uren taakstraf en een geldboete van 20.000 euro.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, en wijst het terug naar het hof Amsterdam. Die veroordeelt de verdachte opnieuw, deze keer tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 180 uur. Dit ambtsdelict is volgens het hof een ‘buitengewoon ernstig feit’. ‘De verdachte heeft geprobeerd zichzelf te verrijken door misbruik te maken van zijn machtspositie. Hij heeft hiermee niet alleen het vertrouwen dat in de samenleving in de overheid en het openbaar bestuur – met name in de objectiviteit en integriteit van beslissingen van ambtenaren – moet kunnen worden gesteld, ernstig geschaad, zijn handelwijze heeft ook schade toegebracht aan zijn werknemers.’

 

Ambtsmisdrijven en gevangenisstraf
Het Wetboek van Strafrecht onderscheidt zo’n 25 ambtsmisdrijven. Daarbij kan worden gedacht aan verduistering van geld (maximale gevangenisstraf: 6 jaar) of van bewijsstukken (4,5 jaar), en vervalsing in boeken (3 jaar). Het aannemen van steekpenningen (ook giften en beloften) kan een celstraf van 4 jaar opleveren. Op misbruik van gezag (iemand iets dwingen te doen of na te laten) staat een celstraf van 2 jaar, op knevelarij 6 jaar. Wie het briefgeheim schendt kan een celstraf van 2 jaar krijgen. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een huwelijk voltrekt en weet dat een van de partners daarmee een dubbel huwelijk aangaat, kan ook 6 jaar achter de tralies verdwijnen. Daarnaast zijn er ambtsmisdrijven die specifiek gelden voor ministers, politieagenten, gevangenenbewaarders en rechters.

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 13, 26 juni 2020.

 

Zwangerschap ambtenaar staat ontslag niet in de weg

Al drie jaar was een Rotterdamse gemeenteambtenaar arbeidsongeschikt. Het lokale ambtenarenreglement stond toe dat zij dan kon worden ontslagen. Maar in die periode was zij enkele maanden arbeidsongeschikt wegens zwangerschap. Die maanden moeten er toch vanaf worden getrokken?

© Michel Knapen

Het is begin februari 2014 wanneer Marjolein Damans* – sinds 2006 ambtenaar bij de gemeente Rotterdam – uitvalt met psychische klachten. Ruim een jaar later rapporteert de bedrijfsarts dat zij nog steeds volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht voor haar eigen of ander werk. Daar komt nog een nieuwe vorm van arbeidsongeschiktheid bij: wegens zwangerschap. Tussen 1 april 2015 en 9 juni (de dag van de bevalling) neemt ze zwangerschapsverlof op, en daarna, tot 30 oktober, (verlengd) bevallingsverlof. Snel daarna laat de bedrijfsarts opnieuw weten dat er te veel beperkingen zijn om een re-integratie te starten.
Het college wil Damans met ingang van augustus 2017 eervol ontslaan wegens langdurige ongeschiktheid voor haar functie als gevolg van ziekte. Nu de bedrijfsarts geen toename in de belastbaarheid verwacht, zet het college het voornemen om in een ontslagbesluit, met het Rotterdams Arbeidsreglement in haar zijde. Toch vecht Damans het ontslag aan.
Via de rechtbank Rotterdam belandt dit arbeidsgeschil bij de Centrale Raad van Beroep. Damans betoogt dat de periode van ziekte, veroorzaakt door zwangerschap (tussen 1 april 2015 tot aan het bevallingsverlof op 9 juni) ten onrechte is meegerekend voor het vaststellen van de 36-maandentermijn. Ergo: de 36 maanden arbeidsongeschiktheid zijn nog niet voorbij en dan is ontslag nog niet mogelijk. Dat is van belang nu de verkeringsarts van het Uwv enkele maanden na het ontslagbesluit vaststelt dat Damans wél passende werkzaamheden kan verrichten.
In het Rotterdamse Ambtenarenreglement staat dat ontslag kan worden verleend aan de ambtenaar op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Wel moet die ongeschiktheid minstens 36 maanden hebben geduurd en moet er voor de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst geen passende arbeid zijn. Voor het bepalen van die 36 maanden worden zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegenomen, en ook niet de maanden van zwangerschap voorafgaande aan het zwangerschapsverlof. Dat doet het college dus kennelijk wél.
Toch kijkt de Raad er anders naar. Waar de tekst van het Rotterdamse Ambtenarenreglement geen duidelijkheid geeft over de situatie dat een medewerker voorafgaande aan en tijdens ziekte vanwege zwangerschap tevens volledig ongeschikt is voor eigen en passende arbeid uit een andere ziekteoorzaak, moet deze regel naar redelijkheid worden uitgelegd. En wel: de periode van zwangerschapsverlof en de ‘zwangere’ weken die daaraan voorafgaan moeten hier wel worden meegerekend voor de 36-maandenperiode. Tot die conclusie komt de Raad omdat moet worden gekeken naar de achtergrond van deze regel: mannelijke en vrouwelijke medewerkers dienen gelijk te worden behandeld. En omdat verder sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid uit een andere ziekteoorzaak – Damans was al arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en niet noodzakelijkerwijs door haar zwangerschap –, bestaat geen aanleiding om de zwangerschapsperiode niet mee te rekenen voor de ontslagtermijn van 36 maanden. Anders gezegd: ook zonder zwangerschap was Damans arbeidsongeschikt geweest. Zo staat het ook in de gemeentelijke rechtspositieregeling CAR-UWO, en die moet ook worden gevolgd, oordeelt de Raad in zijn uitspraak van 16 april 2020. Kortom: ten tijde van het ontslagbesluit was voldaan aan het vereiste van de 36-maandentermijn, en was het ontslag van ambtenaar – en inmiddels moeder – Marjolein Damans terecht.

* De naam is gefingeerd.

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 12, 12 juni 2020.

Webinars door en voor advocaten: een blijvertje

Beeld: Pixabay

De een noemt het een videomeeting, de ander spreekt van lifeline webinars, e-cursussen of online leergangen. Advocatenkantoren, vooral in het middensegment, bieden ze volop aan. Is dit de toekomst om kennis op te steken? Gaan we niet meer naar fysieke seminars?

© Michel Knapen

Gratis! Het lifeline webinar Contracten met consumenten in coronatijd. Aangeboden door Holla Advocaten. Of de webinars Arbeidsrecht tijdens corona en Bestuurdersaansprakelijkheid. Beide georganiseerd door DVDW Advocaten. AKD Benelux Lawyers komt met het webinar Coronavirus en aanbestedingsrecht. Boels Zanders organiseert zelfs een digitaal arbeidsrechtcongres. Dagelijks loopt de mailbox vol met dergelijke aankondigingen.
Creatief met corona: nu fysieke bijeenkomsten tijdelijk niet mogelijk zijn, zoeken kantoren andere manieren om in contact te blijven met cliënten. Vóór de lockdown ‘deed’ je het eigenlijk niet, zo’n webinar – dat was iets voor tech-kantoren of early adopters. ‘Normale’ kantoren nodigden cliënten uit voor de drie P’s: praatje, powerpoint, pilsje.
Maar het ‘nieuwe normaal’ lijkt aan te slaan. Neem Monika Chao-Duivis, voormalig directeur van het Instituut voor Bouwrecht. Ze volgde als gepensioneerde haar eerste online cursus en twitterde dat dit ‘digitaal naar elkaar kijken en praten voor honderd procent is meegevallen’. “Dit kan een blijvertje worden in het post-corona tijdperk.”

Sociale functie
Dat gevoel leeft breder. Bij het Middelburgse kantoor Adriaanse Van der Weel organiseerde Jaap IJdema al zes videomeetings voor ambtenaren over corona-bestuursrecht, zoals de noodverordening. Steeds met deelnemers die vanuit thuis inbellen en elkaar op hun scherm kunnen zien. Dat gebeurt op een vaste dag in de week en op een vast tijdstip. “Deelnemers, die vaak thuiswerken, lieten weten dit een fijne onderbreking van de werkdag te vinden”, zegt IJdema. “Het heeft ook een sociale functie, even praten met anderen.”
Minstens zo belangrijk: het is intern ook goed bevallen. “Natuurlijk, er is minder interactie. De drempel om vragen te stellen is hoger dan bij een fysieke bijeenkomst en wij kunnen de sfeer minder goed aanvoelen. Ook al bieden echte bijeenkomsten voordelen, toch overwegen wij ermee door te gaan. Deelnemen is makkelijk, je hoeft ook niet naar een centraal punt te reizen. En het duurt maar een half uur, net lang genoeg – fysieke bijeenkomsten duren veel langer.”

Veel zenden
Een vergelijkbare ervaring heeft Jessica de Roos (Nysingh), die onlangs het eerste seminar van de online leergang Grondzaken en de Omgevingswet gaf. Met zo’n honderdvijftig deelnemers, waaronder advocaten die hiervoor PO-punten kregen. De Roos had eerder e-cursussen gegeven – Nysingh verzorgt al sinds 2011 online cursussen – en had ook deelgenomen aan e-cursussen, gegeven door kantoorgenoten. Zelf vindt ze het prettig dat ze de cursus kan terugkijken, minder leuk is dat er geen persoonlijk contact is. “Het is veel informatie zenden en je weet niet goed of het aankomt.” Wel kunnen deelnemers via de chat vragen stellen die direct worden beantwoord door kantoorgenoten achter de schermen. Soms krijgt De Roos een vraag doorgespeeld die ze dan kan behandelen. Als het nodig is worden mensen na de cursus teruggebeld over hun vraag. Ook krijgen de cursisten gedurende de les enkele meerkeuzevragen voorgelegd, die ze direct kunnen beantwoorden. Advocaten moeten na afloop enkele vragen over de inhoud van het seminar beantwoorden, om te checken of ze écht aanwezig waren en niet alleen hebben ingelogd en daarna wat anders zijn gaan doen. Op basis van hun score krijgen ze een PO-certificaat.
Deze manier van cursussen geven is Nysingh goed bevallen, zegt De Roos. “We gaan het in de toekomst zeker vaker doen. Niet in de plaats van de fysieke bijeenkomsten, wel daarnaast. Omdat er veel animo voor online cursussen is en deze relatief snel, makkelijk en tegen lagere kosten te organiseren zijn, zal het aantal e-cursussen wel toenemen.”

Goed bevallen
Koen Christianen (Dirkzwager legal & tax) verzorgde op 7 mei met twee collega’s het webinar Cybersecurity en datalekken in coronatijd – het eerste webinar dat zijn kantoor organiseerde voor externen. “We waren een vrijwillig proefkonijn. Maar het is goed bevallen”, zegt Christianen. Ook hij vindt het gebrek aan directe interactie een nadeel. Cursisten tillen daar kennelijk minder hard aan: ze waren erg positief over het webinar.
Bij Dirkzwager waren ze ‘overweldigd’ door het aantal aanmeldingen: binnen een week meer dan 250. Ook dat is een reden, zegt Christianen, om vaker webinars te organiseren – er staan er al enkele geprogrammeerd, ook over niet-coronagerelateerde onderwerpen. “We kunnen zo makkelijker veel meer mensen bereiken dan bij een fysieke bijeenkomst, zeker met de 1,5 metermaatregel. Niemand hoeft ervoor te reizen. We denken ook dat cursisten, omdat ze wat anoniemer zijn dan in een zaal, eerder geneigd zijn vragen te stellen en zich dus meer open te stellen.”

Echt contact
Voor Christianen is zo’n webinar een mooie aanvulling op het cursusaanbod dat Dirkzwager verzorgt, maar geen vervanging van de fysieke seminars. “Dan heb je echt contact, en kun je in de pauze en bij de borrel met elkaar praten. Dat is minstens zo waardevol.” Dirkzwager gaat na de coronatijd evalueren of ze met webinars doorgaan.
Adriaanse Van der Weel heeft al via een mailing laten weten dat na vijf videobijeenkomsten over de gevolgen van corona voor het bestuursrecht, de coronavermoeidheid is ingetreden. Met de wekelijkse videobijeenkomsten gaat het kantoor door, maar deze gaan niet meer over corona.

Testfase
Al deze initiatieven zetten opleidingsinstituten wel aan het denken. Veel werk ligt bij hen stil en in de toekomst moeten ze concurreren met juristen die hebben ontdekt dat ze zelf ook eenvoudig cursussen kunnen aanbieden. Calvin van Bruggen van FBN Juristen, een fiscaal en civielrechtelijk opleidingscentrum voor het notariaat zegt dat sommige cursussen zijn verplaatst naar later in het jaar en dat andere zijn vervangen door video-bijeenkomsten. “Live-webinars hebben we nog niet gedaan, wel enkele keren video-opnamen gemaakt van cursussen en die via Zoom uitgezonden. We denken dat we zo meer interactie krijgen dan via een webinar. Dat format is goedgekeurd door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, ook dat we aan het eind van een e-bijeenkomst controlevragen stellen om te kijken of de cursist wel alles heeft gevolgd.”
De kracht van FBN zit in fysieke bijeenkomsten, zegt Van Bruggen, “daar gaan we zeker mee door. Maar ook webinars en andere vormen van e-learning gaan we waarschijnlijk vaker inzetten, ook na corona. Nu zitten we eigenlijk nog in de testfase. Het bevalt goed, cursisten zijn positief, docenten ook, maar voor hen wat het wel wennen.”

Marketing
Volgens Michiel van Berckel Smit, directeur van OSR Juridische Opleidingen, is er eigenlijk weinig veranderd. “Advocaten waren ook al vóór de virusuitbraak bezig met de ontwikkeling en geven van cursussen – alleen de vorm is nu wat anders. Daarmee geven zij aan dat zij op een specifiek rechtsgebied gespecialiseerd zijn. Het is een heel mooie en slimme manier van marketing.”
PO-punten verstrekken is er niet altijd bij, zegt Van Berckel Smit, in tegenstelling tot wat OSR doet. De Orde heeft ruim 150 juridische opleiders erkend. Dat zijn grote juridische opleiders zoals OSR, maar ook heel veel kleine zoals advocatenkantoren. Die kunnen dan ook eigen kantoorgenoten opleiden en hen PO-punten voor gegeven. “Voor opleidingen aan derden hebben de meeste kantoren niet die accreditatie”, zegt Van Berckel Smit. “Advocaten zullen vanuit concurrentieel oogpunt geen advocaten opleiden die niet aan hun kantoor zijn verbonden.”

Professionele studio’s
OSR heeft en ontwikkelt diverse vormen van online onderwijs. “Onze docenten zijn getraind om dit type onderwijs te verzorgen. We gebruiken ook professionele middelen om online onderwijs te verzorgen, in een eigen studio. Voor grotere projecten wordt samengewerkt met professionele studio’s. Dit zullen advocatenkantoren niet doen.”
In de gratis webinars ziet Van Berckel Smit geen concurrentie. “Die zullen altijd blijven bestaan. Deze beperken zich tot zeer korte actuele onderwerpen. De verdiepende online webinars kosten veel meer tijd en professionele onderwijskundige kennis. Dat is niet de corebusiness van advocatenkantoren. Overigens zijn er ook advocatenkantoren die juist gebruik maken van onze kennis van het organiseren van webinars.”
Van Berckel Smit geeft aan dat OSR naast het online aanbod in juni ook weer klassikaal onderwijs gaat geven. “Belangrijk daarbij is dat wij die maatregelen hebben getroffen om de cursisten veilig op onze locatie in Utrecht, maar op locaties door het land heen, te kunnen ontvangen.”

Gepubliceerd op: Mr-online.nl, 19 mei 2020.

Nevenfunctie stond gewoon op Facebook

Een ambtenaar van het ministerie van Justitie en Veiligheid verrichtte gedurende haar arbeidsongeschiktheid nevenwerkzaamheden in een bedrijf. Háár bedrijf? Nee hoor, van haar zus. Waarom werd ze toch ontslagen?

© Michel Knapen

In de week dat Madina Ayoubh* haar tienjarig jubileum viert bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, wordt ze op het matje geroepen. Er zijn aanwijzingen dat ze zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dat zal ze weten: ze krijgt de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, maar ook wordt ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte – ze zit al enige tijd thuis.
Het strafontslag krijgt ze omdat ze vakanties heeft gehouden zonder verlof te vragen aan haar leidinggevende. Verder voert Ayoubh, zo denkt de minister tenminste, een bedrijf in Marokkaanse gelegenheidskleding en zou ze zich bezighouden met andere bedrijfsactiviteiten zonder toestemming voor deze nevenfunctie te vragen. Tot slot handelt ze in strijd met de re-integratieverplichtingen. Er mocht van haar worden verwacht dat ze zich beschikbaar hield voor haar werk op het ministerie, en nu ze ‘ander werk’ deed schaadde dat mogelijk haar herstel. Dat zijn serieuze aantijgingen.
Ayoubh zelf vat het allemaal lichter op. Neem dat kledingbedrijf – dat is niet van haar, maar van haar zus. Dat vertelt Ayoubh tenminste tegen de rechtbank Gelderland, waar ze in beroep gaat tegen het ontslagbesluit. Die vindt haar verhaal weinig geloofwaardig. De rechtbank heeft immers goed op Facebook gekeken. Op de accounts van Madina Ayoubh en het kledingbedrijf staan allerlei berichten en foto’s op basis waarvan de rechtbank concludeert dat Ayoubh nevenwerkzaamheden heeft verricht door het voeren van een bedrijf en het beheren van de daarbij behorende Facebookpagina. Van groot belang daarbij is dat het bedrijf is vernoemd naar de dochter van Ayoubh, dat de vestigingsplaats tevens de woonplaats van Ayoubh is, dat beide Facebookaccounts veel foto’s bevatten van Ayoubh en haar dochter en dat op het Facebookaccount van het bedrijf als contactnummer het telefoonnummer van Ayoubh is vermeld zoals dat bij haar werkgever bekend is. ‘Mijn zus deed dat’ – dát gelooft de rechtbank dus niet.
Facebook verraadt meer. Zo blijkt dat Ayoubh vakanties en uitstapjes heeft gemaakt, ook ten behoeve van haar bedrijf. Zo was ze in 2014, 2015 en 2017 steeds enige tijd in Marokko. Daarvoor was geen toestemming verleend door haar leidinggevende en de tripjes waren niet afgestemd met de bedrijfsarts. Zeer ernstig plichtsverzuim, oordeelt de rechtbank. Het strafontslag is terecht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt hetzelfde in zijn uitspraak van 16 april 2020. Ook voor de Raad is geen andere conclusie mogelijk dan dat Ayoubh tijdens haar arbeidsongeschiktheid werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf. Zij brengt nog enkele e-mails en Facebookberichten te berde die haar ‘onschuld’ moeten aantonen, maar die dateren van na het moment waarop Ayoubh in kennis is gesteld van het vermoeden van plichtsverzuim – daar hecht de Raad weinig waarde aan. Ook niet aan de bewering van Ayoubh dat zij in 2017 in Parijs was voor behandeling: een leugen, zij was toen in Marokko. Ayoubh heeft nog de mogelijkheid gekregen om te bewijzen dat het bedrijf echt op naam van haar zus stond, maar dat heeft ze niet geleverd. Dat Ayoubh ‘beletselen’ heeft ervaren om dit bewijs te vergaren, komt voor haar rekening. Het netwerk dat haar klanten moest opleveren, heeft haar uiteindelijk haar baan gekost.

* De naam is gefingeerd.

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 11, 29 mei 2020.

Plaatste de coach Bram Moszkowicz onder curatele?

Dat Bram Moszkowicz aan zijn coach was ‘geketend’, was voor het Hof van Discipline één van de redenen waarom de voormalige advocaat niet kon terugkeren naar de balie. Ging de coach niet te ver? Volgens collega coaches wel. Maar die oordelen op basis van gebrekkige kennis van de feiten, reageert de betrokken coach.

© Michel Knapen

“Dit mag geen coaching worden genoemd.”
“Dit lijkt meer op het begeleiden van iemand die onvoldoende handelingsbekwaam is.”
“Hij doet zo’n beetje alles wat coaches niet moeten doen.”
Dat zeggen enkele mensen uit de coachingsbranche, allen ervaring met het begeleiden van advocaten, over de wijze waarop een coach Bram Moszkowicz heeft begeleid. Diens werkwijze staat in de beschikking van het Hof van Discipline (30 maart 2020) – dezelfde uitspraak waarin werd geoordeeld dat Moszkowicz niet mag terugkeren naar de balie. Eén van de overwegingen daarvoor betreft de wijze waarop Moszkowicz wordt begeleid door een externe coach. Dat is Jan Sjöcrona, oud-hoogleraar internationaal strafrecht en oud-strafrechtadvocaat, die sinds 2015 een eigen coachingbureau heeft en een uitstekende reputatie geniet.

‘Geketend’
Vóór de hoger-beroepszaak informeert coach Sjöcrona het Hof hoe hij Moszkowicz heeft begeleid. Hij ziet Moszkowicz als ‘stagiair’ en zal optreden als ‘materiële patroon’. “Hij is aan mij geketend”, schrijft Sjöcrona aan het Hof. En: bij alles geldt, óók het financiële beheer: “Als ik zeg nee, dan is het nee”. De coach is verder betrokken bij het accepteren van nieuwe zaken, over de daarbij te maken financiële afspraken en de te verzenden declaraties. Ook moet Moszkowicz opleidingen volgen die de coach hem voorschrijft. Alleen inhoudelijk strafrechtelijk doet de coach een stap terug. Moszkowicz heeft deze voorwaarden geaccepteerd, aldus het Hof.

Onafhankelijkheid
Deze manier van coaching lijkt het Hof te ver te gaan. Er is geen sprake (meer) van een ‘voldoende eigen beslissingsbevoegdheid’ bij Moszkowicz. Deze “door Moszkowicz gekozen en kennelijk ook door zijn coach noodzakelijke geachte aanpak en invulling is dermate indringend dat niet langer kan worden gesproken van een volwaardige (zelfstandige) vorm van beroepsuitoefening van advocaat”, aldus het Hof. Volgens het Hof komt Moszkowicz’ onafhankelijkheid onaanvaardbaar in het gedrang en roept deze aanpak vragen op over de geheimhoudingsverplichting van een advocaat. In deze uitspraak wordt Sjöcrona bij naam genoemd als coach.

Gedragsverandering
Wat kan van een coach worden verwacht, wat moet hij doen en wat niet? Wat zijn de algemene principes van het coachen? Mr. legde die vragen voor aan enkele coaches.
Vooropgesteld: de jurisprudentie over het coachen van advocaten is beperkt. Uit enkele uitspraken van de Raad van Discipline blijkt wat een coach zoal doet of moet doen. Het op orde brengen van de praktijkvoering van de advocaat, is zo’n opdracht. Of: het aanleren van een professionele effectieve communicatie en op het structureren van de dagindeling. In een andere zaak moest een coach een advocaat helpen met het beantwoorden van de vragen: hoe ben ik in deze situatie terechtgekomen en hoe kan ik dergelijke situaties in de toekomst voorkomen. De Raad van Discipline Den Haag legde in 2017 een coach op om een advocaat ‘te adviseren en te voorzien van aanwijzingen over het gedrag van zijn cliënt en samen met hem te onderzoeken op welke wijze veranderingen in het gedrag van de advocaat het beste kunnen worden bewerkstelligd’.

Faciliteren
In die ruime omschrijving valt volgens Sjöcrona zelf de manier waarop hij Moszkowicz begeleidde. Andere coaches zien dat anders. Zoals aan advocaat/coach Michaëla Kaaij, die bij Honig Coaching ook juridische professionals coacht, waaronder advocaten. Zij omschrijft de essentie van coaching als volgt: de coach faciliteert het leerproces van de coachee en helpt de coachee om zijn eigen oplossingen te vinden door hem op zichzelf en op situaties te laten reflecteren. “Intrinsieke motivatie wordt gestimuleerd. Hierdoor komt de coachee in beweging en is de kans op duurzame gedragsverandering groot. Maar dat mis ik volledig in deze casus, want de coach neemt de beslissingen voor de coachee. De advocaat is ‘geketend’ aan zijn coach, zoals de coach dit zelf noemt. Zelfs bij een normale relatie van advocaat-patroon met advocaat-stagiaire is dit niet het geval.”

Onder curatele
Margreet Rierink, directeur van Coaching Academy International – waar ook juridische professionals worden gecoacht – is ook kritisch. Volgens haar mag de dienstverlening van deze coach ‘beslist geen coaching worden genoemd’ – “integendeel zelfs”. Zij baseert zich op de opvattingen van de diverse beroepsverenigingen voor coaching. “Dit gaat zelfs niet eens over mentorschap, het gaat eerder over ‘onder curatele’ staan. Het is vanuit het perspectief van een professionele ‘begeleider’ een uiterst wonderlijke en vermoedelijk zelfs een onverantwoordelijke invulling van het begeleider-zijn.”

Onvoldoende handelingsbekwaam
Zo denkt ook Peter William Schreuders van Dé Coachultant erover. “Ik heb in de afgelopen jaren diverse coachings-opdrachten gehad uit de advocatuur. Daarbij stond altijd het belang van de coachee en niet van de coach voorop. Waar me deze casus aan doet denken is meer de rol van curator zoals ik bij Wajongeren af en toe heb vervuld. De curator heeft niet alleen het financiële beheer maar heeft ‘bij alles’ een adviserende maar ook bepalende rol. Uitspraken zoals ‘hij is aan mij geketend’ wijzen eerder op een rol voor iemand die onvoldoende handelingsbekwaam is dan op een coach die een evenwichtige relatie met zijn coachee nastreeft.”
Ook Schreuders denkt dat Moszkowicz’ coach een belangrijke basisregel van het coachen aan zich voorbij laat gaat: dat er een groeiend vertrouwen in coachee zelf ontstaat. “Als de coach zijn expertise, kennis en vaardigheden niet ten dienste stelt van de coachee maar zijn eigen deskundigheid op de voorgrond zet, dan gaat dat voorbij aan het gebruikelijke coachingsdoel: het op eigen kracht in beweging laten komen van de coachee.”

Pijnlijk
Rierink gaat een stap verder: “Deze wijze van coaching is zelfs schadelijk voor de begripsvorming over ons vak, dat geen beschermd beroep is. Als dit als coaching moet worden gezien, dan slaat de coach de plank volledig mis, overschrijdt hij alle grenzen van het vak, en doet hij zo’n beetje alles dat coaches niet mogen doen. Ik ervaar dat als heel pijnlijk.”
Schreuders wijst nog op de ‘verplichte cursussen’: een coach kan slechts opleidingen adviseren maar niet verplicht opleggen, zegt hij. “Dat veroorzaakt bij mij als coach opgetrokken wenkbrauwen en bevestigt weer dat dit een meer curatele rol is.” Volgens hem is er ‘geen sprake van gelijkwaardigheid tussen coach en coachee’. “De coach stelt zich te veel op de voorgrond en hecht te veel belang aan zichzelf in plaats van het stimuleren van de groei van de coachee.”

Kernwaarden
Michaëla Kaaij laat weten deze vorm van ‘geketende’ coaching’ nooit aan te bieden. “Dit ondermijnt de kernwaarden van de advocatuur. Het verschrompelt de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat en kans op gedragsverandering acht ik nihil. Dat de advocaat hiervoor wel heeft gekozen zegt veel meer over de advocaat zelf dan over de coach. En ging daar de kern van uitspraak van het Hof van Discipline eigenlijk niet over?”

Vooroordelen
Jan Sjöcrona vindt het “jammer dat deze coaches oordelen zonder alle feiten van de zaak te kennen.” Sjöcrona: “De tuchtrechter heeft al eerder ‘sturende coaching’ aanvaard.” En in de zaak van zijn voormalige cliënt Moszkowicz “vertrouwden zelfs deskundigen op een strakke begeleiding door een coach. Het deskundigenrapport kennen de coaches niet, zomin als mijn schriftelijk uitgewerkte voorstel voor de zakelijke begeleiding.” Sjöcrona: “Ik betreur dat het Hof van Discipline weigerde ons voorstel in ontvangst te nemen.”

Lees hier de uitgebreide reactie van coach Jan Sjöcrona op deze kwestie.

Moszkowicz: terugkomen of wegblijven?
Op Twitter reageerden eerder al strafrechtadvocaten over de uitsluiting van Moszkowicz. Zo stelt Peter Schouten: “Eerbiedig verzoek ik het Hof van Discipline mr. Bram Moszkowicz weer toe te laten tot de balie. Nieuwe kansen voor mensen, daar sta ik pal voor. Ik ben bereid drie jaar lang belangeloos intervisie te geven en ik zal drie collega’s vinden voor dit intervisieteam.” Job Knoester onderschrijft dat: “Voortdurend pleiten we ervoor dat mensen een tweede, derde of vierde of wel meer kansen verdienen. Een dergelijk pleidooi verdient ook Bram Moszkowicz.” En strafrechtadvocaat Johan Mühren twittert: “Desnoods met een creatieve tussenoplossing, bijvoorbeeld met een proeftijd van vijf jaar en een maandelijkse controle van de Orde. De schrapping is nu bijna acht jaar terug. Het kan wel weer.”
Niet iedereen kan zich daarin vinden. Jan Vlug: “In korte tijd zes keer geschrapt, een keer geschorst, zes keer berispt en twee keer gewaarschuwd. Daarnaast grote financiële onduidelijkheid.”
De ‘bloggende advocaat’ Jeroen Veldhuis sluit zich daarbij aan: “Het lijkt me een terechte en logische beslissing van het Hof.”

Gepubliceerd op: Mr-online 5 mei 2020.

 

Recepten voor snellere rechtszaken

Haar voorstellen waarmee de doorlooptijden zouden moeten worden versneld maakten niet iedereen enthousiast. Maar Julia Mendlik, president van de rechtbank Midden-Nederland, denkt iedereen te kunnen overtuigen. Gastvrijheid, transparantie, duidelijkheid en wat culinaire creativiteit kenmerken deze ex-advocaat en ex-bedrijfsjurist – , zo blijkt uit dit interview, dat werd afgenomen voor de coronacrisis losbarstte.

© Michel Knapen

Het was háár rechtbank waar begin maart – in de week van dit interview – Gökmen T., verdacht van de schietpartij in een Utrechtse tram, werd berecht. De zittingsrechters kregen een middelvinger van hem en een klodder spuug. Rechtbankpresident Julia Mendlik: “De mensen die de zaak behandelen hadden de verdachte al leren kennen. We hadden er rekening mee gehouden dat hij uit de rechtszaal zou moeten worden verwijderd. Ondanks dat gedrag was het belangrijk dat de verdachte zoveel mogelijk in de rechtszaal aanwezig was, in het belang van de slachtoffers en de nabestaanden. Hij moest horen wat hen is overkomen. Maar toen hij die grenzen overschreed heeft de voorzitter terecht en correct ingegrepen.”
Vanuit haar werkkamer – heel bescheiden qua omvang, glazen wanden, wat kaal ingericht – brengt Mendlik de zaak terug naar de, in haar ogen, ware proporties. “Het zegt niets over hoe mensen tegenwoordig aankijken tegen de rechterlijke macht, respect en vertrouwen voeren daarbij nog steeds de boventoon. Een incident was het echter ook niet, het komt vaker voor dat verdachten zich in de zittingszaal niet goed gedragen. Rechters zijn wel wat gewend.”

Maar toch, schokkend was het wel. Ons gevoel zegt dat zo’n incident niet zo vaak voorkwam in de tijd van uw vader, die in de jaren negentig president was van de rechtbank Breda en Rotterdam. Dat er toen meer respect was voor het ambt.
“Kan zijn. We proberen tegenwoordig in de rechtspraak zichtbaar te zijn als persoon, we noemen meestal ook onze naam. Dat maakt ons werk menselijker, een goede ontwikkeling. Transparantie is ook: meer uitleg geven, via persrechters in beeld, dus niet alleen op papier. Het mondeling vonnis, ook om mensen in de ogen te kunnen kijken en te zeggen waar het op staat. Enige afstand moet je wel bewaren en daarom moet ook de symboliek in stand worden gehouden, zoals de toga. Ik denk dat daarvoor nog steeds respect is. Aan de andere kant: ook in de tijd van mijn vader misdroegen verdachten zich soms in de zittingszaal. En ook toen grepen rechters in. Ik doe het ook nog met regelmaat – ik heb twee zittingen per maand, strafrecht of een kort geding. Ik zeg dan ook: pet af en kauwgom uit je mond.”
Ze zegt het gedecideerd, spot niet met me. Dat is ook wat ze van haar vader Johannes Mendlik heeft meegekregen: duidelijk zijn. Zijn werk inspireerde haar om rechten te gaan studeren. Toen ze nog middelbare scholier was vond er soms een spoed-kort geding thuis plaats. “Ik mocht de deur openen voor partijen en advocaten, die dan naar de studeerkamer gingen. Daar mocht ik niet bij zijn, we moesten wel twee uur stil zijn. Ik vond het indrukwekkend hoe mensen hun lot in handen leggen van een rechter, in dit geval mijn vader, die had een belangrijke rol in hoe ze verder kunnen met hun leven. Zelfs als ze kwamen met andere verwachtingen kregen ze toch die helderheid. Dat luchtte voor mensen veel op en dat heb ik altijd meegenomen.”
Maar haar rechtenkeuze was ook een beetje ‘afstrepen’. Julia Mendlik wilde graag arts worden, maar ja: geen bètapakket. Vader Mendlik vond het prima, zegt ze, dat ze rechten ging doen: een studie die een goede basis biedt en waarmee je maatschappelijk iets relevants kunt doen.

Wat heeft u van uw moeder meegekregen?
“Gastvrijheid. Een warm thuis. Dat breng ik hier op de rechtbank ook mee. Ik probeer een bijdrage te leveren aan de goede sfeer.”

Kunstenaars
Julia Mendlik komt uit een Hongaars-Nederlandse familie. Haar overgrootvader was Oszkár Mendlik, de kunstschilder van vooral zee-taferelen, die getrouwd was met beeldhouwster Julie Mijnssen – naar wie Julia Mendlik is vernoemd. Dat artistieke heeft zij veel minder, geeft ze toe – in tegenstelling tot haar broer die professioneel beeldhouwer is en haar zus – tevens jurist – die schildert. Haar huis hangt vol met schilderijen van haar overgrootvader – “veel zee, daarom hou ik er van. Ik zeil ook veel”. Julia Mendlik werd advocaat, bedrijfsjurist, rechter en is nu rechtbankbestuurder. Ze werd bekend toen ze het Project Doorlooptijden ging leiden. Typerend is een quote uit een wat ouder interview: “We vechten constant tegen de dossierlawine, zijn als dat jongetje met zijn vinger in de dijk.”

Dat is niet uw citaat, maar van uw vader, uit 2000. Toen ging het ook al over werkdruk en doorlooptijden. Waarom worstelen we nog steeds daarmee?
“We hebben onvoldoende geld om maar mensen te blijven aannemen. Ook hebben we te maken met steeds complexere zaken, waardoor de werkdruk nadrukkelijker wordt ervaren. Een strafzaak kost nu echt meer tijd. Dat komt door de sterkere positie van slachtoffers – ook in kleinere zaken – maar ook door het feit dat bijvoorbeeld WhatsApp-gesprekken tegenwoordig deel uitmaken van strafdossiers. Die worden daardoor steeds dikker. Wetgeving wordt complexer, ook Europese en zelfs mondiale wetgeving. Ook cybercrime vergt meer deskundigheid dan vroeger. Het aantal strafzaken mag dan wel zijn afgenomen, maar de zwaarte ervan is toegenomen. Kleinere zaken worden afgedaan door het Openbaar Ministerie, waardoor de zware zaken bij ons komen. Het is allemaal minder huis,- tuin- en keukenwerk. Maar ook de organisatie rond grote zaken – Marengo in Amsterdam, de tramzaak hier in Utrecht, MH17 – neemt heel veel tijd en capaciteit in beslag. Er is gelukkig ook veel geld bijgekomen, maar het is de vraag of dat voldoende is om deze ontwikkelingen bij te benen. We moeten mensen goed kunnen opleiden, wat beperkt mogelijk is in een tijd waarin de werkdruk al hoog is. Daarmee kunnen we niet alle achterstanden heel snel wegwerken.”

Hoe is de situatie in Utrecht?
“Op sommige plekken goed, elders zijn achterstanden. Bij civiel – handel en kanton – kennen we geen achterstanden bij het schrijven van vonnissen, wel lukt het niet altijd om zaken op tijd op zitting te krijgen. Zaken die uit de vonnistermijn dreigen te lopen hebben we apart in een ‘inloopkamer’ gezet en deze laten we schrijven door een gespecialiseerd groepje mensen, onder leiding van een rechter. Die methode wordt ook landelijk toegepast.”

U weet zeker dat u door deze drukte nergens inboet op kwaliteit?
“Ik ben ervan overtuigd dat alle rechters en anderen dat met dezelfde kwaliteit doen. Dat blijkt ook uit de visitatiecommissie. Het levert wel een spanningsveld op: moeten we niet prioriteiten stellen aan het soort zaken dat we eerst willen doen? Hoe lang moet een vonnis zijn wil het nog effectief zijn? Hoe delegeren we naar juridisch medewerkers en wat moet de rechter zelf doen? Hoe kan de voorbereiding plaatsvinden van een grote zitting zodat de rechter vooral naar de essentiële stukken uit het dossier kan kijken? Dergelijke gesprekken voeren we. Tegelijk zetten we in op het mondelinge vonnis, waarmee we tijd kunnen winnen én de kwaliteit kunnen verhogen.”

Doorlooptijden
Voor het eerst, zegt Mendlik, wordt nu ‘overkoepelend’ gekeken naar de doorlooptijden. Dít is het moment, nu de digitalisering is vertraagd, nu er extra geld is bijgekomen en breed in de Rechtspraak het verlangen wordt gevoeld om de doorlooptijden eindelijk eens te versnellen. Maar dat kan pas echt als de werkvoorraad is weggewerkt. Dat vereist samenwerken tussen de rechtbanken; de een heeft meer achterstanden, de ander tijdelijk wat overcapaciteit, een derde heeft op een bepaald terrein meer deskundigheid. Er worden vliegende brigades ingezet (de ‘landelijke unit’), uitspraken worden meer door anderen dan door rechters voorbereid, zoals juridisch medewerkers. Er wordt nadrukkelijker gekeken of aangekondigde hogerberoepszaken wel echt doorgaan. Als die bij nader inzien niet worden doorgezet, vervalt er extra werk dat achteraf overbodig was. En in het rapport doorlooptijden wordt geadviseerd om gepensioneerde rechters die nog geen zeventig zijn tijdelijk in te zetten.

Heeft u ze al gepolst?
“Dat gaan we nog doen. Zeker als ze op hun voorwaarden kunnen meedoen, heb ik daar veel verwachtingen van. Bijvoorbeeld drie maanden alleen zittingen en dan drie maanden ander werk. Deze mensen willen meer te zeggen hebben over hun eigen tijd en geen 9-to-5 baan. Daar moet je op inspelen. Ik heb al de nodige spontane aanmeldingen binnen. Bovendien, er zijn ook oud-rechters van boven de zeventig bereid om mee te schrijven, maar dan als juridisch medewerker.”

En u wilt meer rechter-plaatsvervangers inzetten.
“Zij hebben nu doorgaans één dag per zes weken zitting. Sommigen kunnen ook enkelvoudig zitten, dat biedt extra mogelijkheden. Er zijn er ook die een tijdlang een dag per week willen optreden als plaatsvervanger in een meervoudige kamer, of enkele maanden onbetaald verlof nemen van hun werk. Werkgevers vinden het vaak prettig als mensen zich inzetten voor de rechtspraak.”

Kritisch
De voorstellen zijn niet overal met gejuich onthaald. De Tegenlicht-groep, een dertigtal rechters en raadsheren die vrezen dat de toekomst van een onafhankelijke rechtspraak in het geding is door een te grote werkdruk, zag weinig in een al te prominente rol voor de plaatsvervanger. Ook de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak was kritisch. Mendlik: “We proberen iedereen erbij te betrekken, ook de kritische rechters. We hebben de Tegenlicht-groep uitgenodigd om verder te praten. Het rapport en advies is opgesteld op basis van gesprekken binnen de organisatie met onder andere rechters en juridisch medewerkers. Ik sta altijd open voor het gesprek met elkaar. Zo hoop ik zorgen weg te kunnen nemen.”

U wilt ook vaker niet-rechters vonnissen laten schrijven. Dat gebeurt toch al?
“Het kan meer. Als je als rechter in een schema zit met zitten én schrijven, dan is het lastig dat goed bij te houden. Heb je veel zittingen, dan kom je niet toe aan schrijven. Leg je een zaak weg en begin je er pas weken later aan, dan moet je je weer helemaal inlezen. Bij straf is het anders georganiseerd, daar wordt het vonnis altijd twee weken na zitting uitgesproken.”

Waarom kan het daar wel?
“Dat is de grote vraag. Civiel heeft vaak te maken met meer partijen, er zijn doorgaans meer soorten wetten. Dat is niet morgen opgelost.”

We lopen hier al jaren tegenaan. Waarom gaat het nu wel lukken?
“Die vraag is mij wel het meest gesteld. Het is geen optie om er niet over na te denken, is dan mijn standaardantwoord. We beginnen met het wegwerken van de achterstanden, over drie jaar zijn we daar hopelijk heel ver mee. Twee: we gaan in gesprek met advocaten en het OM over hoe zaken efficiënter kunnen worden gepland, met verhinderdata – het zou ideaal zijn als we werken met een soort datumprikker. Daar kunnen we nog meer regie op voeren. En drie: helderder communiceren wat je kunt verwachten als je bij een gerecht binnenkomt. Nu is dat nog een black box. Dat alles moet lukken met het budget dat is toegezegd.”

Glazen plafond
Iets meer dan de helft van de rechtbanken, één gerechtshof en vanaf november de Hoge Raad, worden geleid door een vrouw. Of dat heeft geleid tot een andere bestuursstijl, weet Mendlik niet – zij is niet zo van de Venus- en Mars-dichotomie. “Het is goed dat een bestuur divers is samengesteld. Twee derde van de rechters is vrouw en dan is het ook logisch dat ze aan de top komen. Ik ervaar geen enkele glazen plafond in de rechtspraak. We moeten nu vooral zorgen dat er ook voldoende mannen blijven komen.”
Mendlik zelf laat zich niet uit over haar ambities. Ze is blij waar ze nu zit, natuurlijk. Pas vijftig, in haar woorden: nog een heel leven voor me. In en buiten de rechtspraak zijn er mooie dingen te doen, als het maar maatschappelijk relevant is. Terug naar de advocatuur ligt niet voor de hand, daar geldt niet de onafhankelijke positie die ze graag inneemt. En het is ook erg commercieel.
Haar stempel op de rechtbank en de rechtspraak weerkaatst de echo van haar ouders. Landelijk zijn het de doorlooptijden, in Utrecht is het de sfeer: transparant en laagdrempelig. “Dat bevordert het professionele gesprek. Mensen durven zich dan ook kwetsbaar op te stellen. Ook delen we bestuurlijke issues waarmee we worstelen. Ik zit om die reden ook niet hoog in de toren maar op de eerste verdieping, met glazen wanden.”
Waar ze onvoldoende aan toekomt: vaker op de werkvloer zijn, een praatje maken de medewerkers, het zijn er 850. Dat was ook wat ze beloofde toen ze in 2016 rechtbankpresident werd: haar eerste opdracht die ze zichzelf stelde was om de verbinding tussen medewerkers en bestuur weer te herstellen.

Was het zo dramatisch?
“Deels wel. De herziening van de gerechtelijke kaart – met samenvoegingen en sluiting van locaties – heeft deuken geslagen in de relatie tussen medewerkers en bestuur. Wat doe je dan: het gesprek aangaan, het gesprek bij anderen stimuleren, dat verbetert de sfeer. Ik probeer het goede voorbeeld te geven. We zien dat in medewerkerstevredenheidsonderzoeken de werkdruk niet goed scoort, maar de sociale veiligheid wel.”

Hoe ervaart u de discussie over de dikastocratie, de te grote rol die rechters zouden spelen?
“Het vertrouwen in de rechtspraak blijft behoorlijk hoog. Als de wetgever lacunes laat bij grote maatschappelijke vraagstukken, dan wordt aan ons gevraagd daar iets van te vinden – kijk naar Urgenda. Prima om de discussie te voeren over de rol van de staatsmachten in de trias politica. Het risico daarvan is wel dat dit kan leiden tot verandering in het vertrouwen dat burgers nu hebben in de rechtspraak. Nu heeft 71 procent dat vertrouwen. Wij moeten als rechtspraak keer op keer helder zijn over waar we voor staan. En dat we echt niet buiten ons boekje gaan. We beschermen de burger juist als de overheid zich niet houdt aan afspraken.”
En dan, op het eind van het gesprek, komt ze met een onthulling: op haar bucketlist staat het schrijven van een kookboek. “Ik ben een enorme kookliefhebber, ik heb veel Hongaarse familierecepten en die liggen niet goed vast. Dat wil ik graag voor mijn dochters doen. Dat is kennelijk mijn artistieke kant.”

Wie is Julia Mendlik?
Julia Mendlik (1969) studeerde rechten aan de Universiteit Leiden. Na haar afstuderen werkte ze vier jaar als advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek in Den Haag (waar ze zich onder andere bezighield met ondernemings-, arbeids- en contractenrecht). Vervolgens was ze drie jaar juridisch adviseur bij Unilever (over onder andere corporate governance, vennootschaps- en effectenrecht).
In 2002 startte ze de opleiding tot rechter bij de rechtbank Den Haag, waar ze begon met civiel recht en (jeugd)strafrecht. In 2013 stapte ze over naar de rechtbank Midden-Nederland, waar ze rechterlijk bestuurslid werd, later waarnemend president en sinds 1 april 2016 president.
Julia Mendlik is tevens voorzitter van de Klachtencommissie Vereniging Rembrandt en actief lid van de Lionsclub Den Haag Residentie. Ze is getrouwd en heeft samen met haar man drie dochters.

Gepubliceerd in: Mr. 2, 2020.