Pesten door teamchef kost Roosendaal geld

Een arbeidsconflict op het gemeentehuis van Roosendaal escaleert. De gemeente doet het nodige om rust in de tent te brengen. Dat gepeste ambtenaar een billijke vergoeding krijgt, laat wel zien wie er fout zat.

© Michel Knapen

Lange tijd is het onduidelijk wat precies is gebeurd op het gemeentehuis van Roosendaal. Daar werkt Rianne Tolberg* (1968), sinds 2005 als gemeenteambtenaar. Het begint met een conflict in 2023 tussen Tolberg en haar leidinggevende. Dit leidt tot twee bemiddelingsgesprekken, een derde gesprek vindt op verzoek van Tolberg niet meer plaats. Dan volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. Een quickscan laat zien wat nodig is binnen Tolbergs team. Zij meldt zich ziek. Er komt een nieuwe leidinggevende. Mediation wordt als optie voorgesteld, daarna zouden re-integratiewerkzaamheden kunnen worden hervat.
Tolberg informeert de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de Decentrale Overheid. Die klacht wordt gegrond verklaard, waarmee de LKOG erkent dat de eerste leidinggevende pestgedrag heeft vertoond: schreeuwen, uitvallen, negeren en uitsluiten van werk en informatie. Zelfs een groet richting Tolberg kon er niet meer vanaf. Een advocatenkantoor dat in opdracht van de gemeente feitenonderzoek verrichtte constateert echter: de werkomgeving binnen Tolbergs team is niet onveilig. Na een paar sessies wordt het mediationtraject afgesloten, zonder resultaat.
De enige uitweg die de gemeente dan ziet is het ontbinden van de arbeidsovereenkomst met Tolberg. Dit arbeidsconflict heeft de arbeidsverhoudingen te veel verstoord. De inspanningen van de gemeente om de relaties te normaliseren en de vertrouwensbreuk te herstellen, leverde niets op. Dat is althans de lezing van de gemeente.
Tolberg is er ook klaar mee, ze wil weg maar eist wel een billijke vergoeding van € 351.709, de transitievergoeding (€ 40.523) en een immateriële schadevergoeding (€ 40.000). Nu beide partijen het willen, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst en krijgt Tolberg de gevraagde transitievergoeding. Maar de billijke vergoeding laat pas echt zien waar de ‘schuld’ van het conflict lag: bij de gemeente.
Voor de kantonrechter is het duidelijk dat de leidinggevende ongewenst gedrag heeft vertoond, wat leidde tot de verstoorde relatie. Contact tussen deze teamchef en Tolberg verliep alleen via de mail, en niet van harte. Tolberg wilde niet meer deelnemen aan overleggen waarbij ook de leidinggevende aanwezig was, die daarmee stilzwijgend instemde. Op dat moment had de gemeente moeten ingrijpen, vindt de kantonrechter. Door dit na te laten kon de situatie escaleren, wat leidde tot de arbeidsongeschiktheid van Tolberg.
De gemeente heeft de oorzaak van de problematiek niet, of anders wel onvoldoende aangepakt. De leidinggevende bleef als projectleider steeds betrokken bij de werkzaamheden van Tolberg. Zo hield de gemeente de onveilige werksituatie in stand. Onduidelijk is welke consequenties de leidinggevende boven het hoofd hingen. Excuses voor diens gedrag of erkenning van de impact die de hele situatie heeft gehad op Tolberg: vergeet het maar. Daardoor is het vertrouwen van Tolberg in de gemeente onherstelbaar beschadigd. Dat maakt dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Dus moet de billijke vergoeding worden afgetikt, zodat Tolberg wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar nalaten van de werkgever.[1] De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, wel moet het ertoe leiden dat een werkgever zich twee keer bedenkt om een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Tolberg krijgt € 93.014 bruto, vergelijkbaar met haar inkomensverlies dat zij lijdt in de 7,5 jaar voor haar AOW-leeftijd. Daar komt een immateriële schadevergoeding van € 3.000 bij (uitspraak 13 mei 2026).

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBZWB:2026:4476

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 13, 22 juli 2026.


[1] Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.

Contactverbod voor ex-ambtenaar houdt stand

Jarenlang bestookte een ex-ambtenaar de gemeente Nederweert met minstens duizend brieven, verzoeken en klachten over zijn ontslag, nu zeventien jaar geleden. Net als de rechtbank legt het gerechtshof hem een contactverbod van twintig jaar op. Op straffe van hoge dwangsommen.

© Michel Knapen

Het is begin 2024 wanneer Twan Rosveld*, oud-beleidsmedewerker van Nederweert, van de rechtbank Limburg te horen krijgt dat hij eindelijk eens moet stoppen met het ‘juridisch stalken’ van zijn voormalige gemeente.[1] Hij is in 2009 na een dienstverband van 31 jaar door de gemeente eervol ontslagen (‘ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhoudingen’) en kan zich daar maar niet bij neerleggen. Procedure volgde op procedure. Hij stuurde gedurende veertien jaar massa’s brieven, kwam met ontelbare klachten en diende veelvuldig verzoeken in op grond van de Wet openbaarheid bestuur, de Wet open overheid, de Wet bescherming persoonsgegevens en de AVG.
Steeds opnieuw beschuldigde Rosveld de gemeente van valsheid in geschrift, smaad, integriteitsschendingen, liegen, ambtsmisdrijven, corruptie, pesten, intimideren, bewust schenden van de afgelegde eed of belofte, discriminatie, schending van de ambtelijke gedragscode integriteit, psychische mishandeling, misbruik van overheidsgeld, misbruik van recht en macht, intentioneel kwaadaardig gedrag en meineed – en meer van dat fraais. Keer op keer vraagt de gemeente: hou ermee op, we nemen toch niets meer in behandeling.
Rosvelds beschuldigingen, zo oordeelde een rechter in 2024, overschrijden de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Zijn acties legden een buitensporig beslag op het openbaar bestuur: één ambtenaar (van de 112 fte) was bijna fulltime bezig met zijn correspondentie, met al zeven ton aan personeels- en advocaatkosten tot gevolg. Zijn gedrag is, zo oordeelde de rechter, misbruik van bevoegdheid. Hij werd veroordeeld tot een algeheel contactverbod voor twintig jaar, op straffe van dwangsommen, die kunnen oplopen tot € 250.000. Ook na dit verbod ging Rosveld ermee door, hij moest al € 7.000 aan dwangsommen betalen.
Rosveld geeft niet op en gaat in hoger beroep. Die € 7.000 wil hij terug, zijn uitlatingen – zo vindt hij – vallen niet onder de verboden en het algehele contactverbod kan niet standhouden. Maar daar denkt het hof heel anders over. Doel en strekking van de eerdere veroordeling zijn immers dat het veelvuldig misbruik maken van bevoegdheden door Rosveld en zijn onrechtmatig handelen moesten stoppen. Ophouden dus met het indienen van klachten of meldingen bij de gemeente over het arbeidsconflict. Niet meer bellen naar de gemeente, niet meer mailen en niet meer langskomen. Ophouden met grievende uitingen over personen die werkzaam zijn bij of voor de gemeente. Die verboden zijn heel concreet, stelt het hof, wat Rosveld juist betwist. Maar de opsomming van termen die Rosveld in eerdere stukken gebruikte, zegt genoeg: dat alles mag nu echt niet meer. Of Rosveld gelijk had in zijn verweer doet niet ter zake: vraag is of hij de verboden uit het eerdere vonnis heeft overtreden. En dat is keer op keer gebeurd. Inmiddels heeft hij € 10.000 aan dwangsommen verbeurd.
Rosveld verloor alle eerdere procedures en kon de verwijten richting gemeente nooit bewijzen. Hij wil per se financiële genoegdoening. Bij het hof verklaarde hij dat hij daarmee zal doorgaan. In Nederweert heeft hij niets te zoeken – hij is niet eens inwoner. Daarom blijft het eerder opgelegde contactverbod van twintig jaar in stand, een als de dwangsommen. Hij verliest ook deze zaak (uitspraak 28 juli 2026) en moet de proceskosten van € 7.374 betalen.

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:GHSHE:2026:1976

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 14, 12 augustus 2026.


[1] Rechtbank Limburg 31 januari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:384.

Belastingambtenaar mag geen fiscaal advies geven aan kennis

Een ambtenaar van de Belastingdienst voorziet enkele bekenden van fiscaal advies, tegen een kleine vergoeding. Hoe erg kan dat zijn, heeft hij gedacht. Waarom vliegt hij er toch uit?

© Michel Knapen

In mei 2025 krijgt een medewerker van de Belastingdienst een bericht op zijn zakelijk e-mailadres. Een vrouw verzoekt om herziening van de aanslag inkomstenbelasting. De medewerker begrijpt niet hoe dit op zijn toch onbekende werkmailadres binnenkomt. In een daaropvolgend telefoongesprek vertelt die vrouw dat haar belastingaangiftes werden verzorgd door een collega van die medewerker, die dit in de avonduren en tegen betaling erbij doet. De medewerker vermoedt dat die collega daarbij de interne systemen raadpleegt en hij meldt dit bij zijn leidinggevende. Die geeft de mogelijke integriteitsschending door aan het Meldpunt Integriteit Belastingdienst. Al snel blijkt dat het om Lei Hoebing* (1960) gaat, die sinds 1982 bij de Belastingdienst werkt en aangiftes van buitenlandse belastingplichtigen behandelt.
Hoebing wordt op het matje geroepen en bekent dat hij meermaals fiscaal advies heeft gegeven aan die vrouw en daarvoor twee keer is betaald (€ 60 per keer), daarvoor systemen van de Belastingdienst heeft geraadpleegd en nog enkele familielieden heeft geholpen met hun belastingaangifte. Hoebing wordt geschorst wegens een vermoeden van een ernstige integriteitsschending. De Staat verzoekt de arbeidsovereenkomst met Hoebing te ontbinden omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Als de zaak bij de kantonrechter wordt behandeld, komt Hoebing niet opdagen. Omdat hij geen verweer voert, gaat de kantonrechter ervan uit dat de gepresenteerde feiten van de Belastingdienst kloppen. Het staat dan vast dat Hoebing in strijd met het verbod op nevenwerkzaamheden heeft gehandeld door enkele mensen fiscaal advies te geven. Dit mocht Hoebing zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet doen. En toestemming heeft Hoebing niet gekregen, zelfs niet als hij daar om zou hebben gevraagd. Deze nevenwerkzaamheden zijn immers onverenigbaar met het de functie van ambtenaar bij de Belastingdienst.
Vaststaat ook dat Hoebing onbevoegd de systemen van de Belastingdienst heeft geraadpleegd. Vanuit zijn werk als behandelfunctionaris was er geen zakelijke reden om die systemen in te zien voor het fiscale advies aan zijn ‘klanten’. Dit is dan ook ontoelaatbaar en Hoebing wist dat hij dit niet mocht, zo blijkt uit zijn eigen verklaring. Het staat ook op de intranetpagina van de Belastingdienst. Wie inlogt op een zakelijke laptop ziet steeds de melding ‘Waarschuwing! Gebruik is alleen toegestaan voor geautoriseerde, expliciet door de organisatie vastgestelde doeleinden. Gebruik wordt gelogd, misbruik wordt bestraft.’ De informatie die Hoebing uit de systemen wist te halen heeft hij gebruikt voor zijn verboden fiscale advisering.
Net als de staat wijst de kantonrechter (uitspraak 22 januari 2026) op de bijzondere positie van de Belastingdienst in de maatschappij en de vele gegevens van burgers en bedrijven waarover zij beschikt. Die moeten er allemaal op kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens bij de Belastingdienst in veilige handen zijn en dat er vertrouwelijk mee wordt omgegaan. Daarom is integriteit één van de kern- en basiswaarden van de fiscus. Werknemers van de Belastingdienst dragen een bijzondere verantwoordelijkheid en moeten ervoor zorgen dat het vertrouwen van burgers in de Belastingdienst niet wordt geschaad. Het gedrag van Hoebing is een ernstige miskenning van de aan hem te stellen hoge integriteitsnormen. Het handelen van Hoebing is niet alleen verwijtbaar, maar zelfs ernstig verwijtbaar. Daarop past maar één sanctie: ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder transitievergoeding.
* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBLIM:2026:400

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 12, 1 juli 2026.

Gemeente Barendrecht kreeg deksel op de neus

Het bestemmingsplan dat de gemeente Albrandswaard had vastgesteld, zinde buurgemeente Barendrecht niet. Die stapte naar de Raad van State. Waarom kreeg zij de deksel op haar neus?

© Michel Knapen

Gedoe in de polder, deze keer ten zuiden van Rotterdam. Bij de ontwikkeling van de Tweede Maasvlakte werd vastgelegd dat de leefbaarheid van de regio moet worden verbeterd. In het Bestuursakkoord over de uitvoering hiervan is afgesproken dat de provincie Zuid-Holland 750 ha natuur- en recreatiegebied realiseert. Dit zou ook moeten plaatsvinden in de gemeente Albrandswaard. Plannen voor hoogwaardige akkernatuur – die hand in hand gaat met recreatie en landbouw en die past bij het cultuurhistorisch polderlandschap – zijn neergelegd in het ‘Streefbeeld’ en in het bestemmingsplan.
Buurgemeente Barendrecht heeft grote moeite met het plandeel met horecabestemming voor de locatie Graaf van Portland. Dit ligt in het oosten van het plangebied, tegen de Barendrechtse Koedoodhaven. Komt er horeca op de Graaf van Portland, dan wordt horeca in de Koedoodhaven overbodig, vindt Barendrecht. Ook vindt deze gemeente dat in het plan van de buren onvoldoende parkeerplaatsen zijn opgenomen. De gemeente Barendrecht hoopt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gemeentelijke burenruzie kan beslechten.
Al snel in de procedure laat Barendrecht weten: we hadden niet namens de gemeente als rechtspersoon beroep moeten instellen, maar namens het college van burgemeester en wethouders als bestuursorgaan. Maar nu de gemeente dit verzoek na de beroepstermijn indient, is zij daarmee te laat. Het blijft de gemeente die appelleert. Die verzet zich tegen de aspecten verkeer, parkeren, de vraag of er behoefte is aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling op de locatie Graaf van Portland en of een horecagelegenheid daar in overeenstemming is met het Streefbeeld.
Volgens Albrandswaard is dit beroep niet-ontvankelijk, omdat de gemeente Barendrecht geen belanghebbende zou zijn. Alleen een belanghebbende kan in beroep. In de Algemene wet bestuursrecht staat wie belanghebbende is: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
In de Wet ruimtelijke ordening is een goede ruimtelijke ordening als belang aan de gemeenteraad toevertrouwd, maar het is ook een belang van het college van burgemeester en wethouders. Maar het beroep is ingesteld namens de gemeente Barendrecht en niet namens de raad of het college van Barendrecht. De raad of het college zouden dus belanghebbende kunnen zijn want die gaat immers over de ruimtelijke ordening. Maar die heeft geen beroep ingesteld. De vraag is dan: heeft de gemeente Barendrecht als rechtspersoon ook een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit? Om die vraag te beantwoorden moet worden gekeken of de gemeente rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het bestemmingsplan van de buren toestaat. De gemeente Barendrecht moet dan worden getroffen in een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar en actueel belang.
De Afdeling constateert (uitspraak 6 mei 2026) dat de gemeente Barendrecht geen eigen grond heeft binnen het plangebied of eigen grond met een recreatieve bestemming rondom de Koedoodhaven. En als er al een horecavoorziening komt op de Graaf van Portland, dan wil dat niet zeggen dat Barendrecht ook niet zelf een horecavoorziening in haar gemeente kan realiseren. Verder is ook niet gebleken dat er vermogensrechtelijke belangen van de gemeente Barendrecht zijn betrokken bij het plan waardoor een eigen belang van de gemeente rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. De gemeente Barendrecht is in deze procedure geen belanghebbende en daarom is haar beroep niet-ontvankelijk.
ECLI:NL:RVS:2026:2564

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 11, 17 juni 2026.

Stopzetten re-integratie is volstrekt verwijtbaar

Een technisch medewerker zit ziek thuis, collega’s zien hem liever niet terugkeren. De gemeente volgt dit gevoel en ontbindt de arbeidsovereenkomst. Waarom krijgt de ambtenaar toch een flinke ontslagvergoeding?

© Michel Knapen

Huib Heytse* (1965) lijkt als technisch medewerker niet de meest makkelijke. Hij werkt sinds 2006 bij een Limburgse gemeente, in een team van zeven man. Daarbinnen ontstaan meningsverschillen over taken, rollen en het aansturen van teamleden. Dit leidt tot spanningen, waarvoor een externe coach wordt ingeschakeld. Heytse doet maar kort mee aan die sessies omdat hij uitvalt als gevolg van medische klachten buiten het werk om. Er volgt een re-integratietraject maar ook daarover ontstaat gedoe.
Als Heytse een melding doet over diefstal van oud ijzer, kritiek heeft op zijn leidinggevende en naar de vertrouwenspersoon is gestapt, zet de gemeente de re-integratie ‘even on hold’. Het arbeidsconflict dreigt te ontsporen, de bedrijfsarts adviseert mediation. Dit komt niet van de grond, ook omdat de leidinggevende niet meedoet. Wel onderzoekt de gemeente het draagvlak onder de teamleden: vinden zij dat Heytse kan terugkeren? Zij noemen Heytse kleinerend, intimiderend, eigengereid en grofgebekt. Met hem valt niet samen te werken, als hij terugkeert zullen zij zich ziekmelden. De gemeente vraagt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met Heytse te ontbinden, vanwege een verstoorde verhouding tussen Heytse enerzijds en zijn leidinggevenden en teamleden anderzijds. Heytse legt zich daarbij neer maar accepteert niet dat dit alles alleen aan hem ligt.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Maar stelt ook: de duurzame verstoring van de arbeidsverhouding is in overwegende mate te wijten aan de gemeente. Heytse zal ook wel een rol hebben gehad in deze problematiek maar de gemeente maakt hem daarvoor de primair verantwoordelijke persoon. Door dit onbewezen standpunt breed uit te dragen onder de collega’s en te accepteren dat zij niet meer met Heytse in gesprek willen of met hem willen samenwerken, werd het voor Heytse ondoenlijk om nog terug te keren. Dat handelen van de gemeente is ernstig verwijtbaar.
Heytse werkte daar bijna twintig jaar. Functioneringsgesprekken vonden niet plaats, er zijn hiervan althans geen verslagen. Kennelijk ging Heytse nooit over de schreef en hij is er nooit op gewezen zijn gedrag bij te stellen.
De spanningen binnen het team betrof alle medewerkers, niet Heytse alleen. Omdat hij uitviel wegens ziekte, kon hij maar kort deelnemen aan het coachingstraject. De gemeente stelt: de coaching werkte goed voor de collega’s, alleen Heytse was niet tot ander gedrag te bewegen. Maar daar klopt niets van: ook lang na de start van de coaching waren er nog steeds aanzienlijke spanningen binnen het team. En in al die tijd was Heytse wegens ziekte nauwelijks op de werkvloer.
Het is voor de kantonrechter onduidelijk waarom de re-integratie werd gestopt? Dit is immers een belangrijke verplichting van de werkgever. Van iedere werkgever, en zeker van een overheidswerkgever, mag een reële inspanning worden verwacht, stelt de kantonrechter. Dat de melding over het oud ijzer en de kritiek op de leidinggevende werden aangegrepen om het re-integratietraject te stoppen, acht de kantonrechter (uitspraak 2 maart 2026) zeer kwalijk. Als Heytse desondanks aangeeft dat hij wil komen werken, mogen de collega’s zich daarover uitspreken, waardoor zijn terugkeer onmogelijk is gemaakt. Door dit ernstig verwijtbare handelen van de gemeente heeft Heytse recht op een billijke vergoeding[1] (€ 35.000) en daarnaast ook op een transitievergoeding (€ 30.928).

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBLIM:2026:1975

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 10, 3 juni 2026.


[1] Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd; zie Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia).

Neuzen in BRP is niet altijd ernstig verwijtbaar

Neuzen in de BRP geldt als een ambtelijke doodzonde. Het kwam een ambtenaar van de gemeente Land van Cuijk dan ook op ontslag op staande voet te staan. Maar waarom kreeg ze wel een transitievergoeding?

© Michel Knapen

Het leven van Karin Oploo* krijgt in oktober 2025 een onverwachte wending als een inwoner van Land van Cuijk inzage wil in haar eigen persoonsgegevens. Dan blijkt dat Oploo (1967), senior medewerker burgerzaken, in negen maanden tijd zeven keer de persoonsgegevens van die vrouw heeft bekeken en één keer die van haar moeder: acht keer een ‘niet-functionele’ raadpleging van de BRP. Oploo wordt op staande voet ontslagen, wat zij aanvecht bij de rechtbank Oost-Brabant.
Maar zij verliest haar zaak. Het ontslag is ‘onverwijld’ gegeven, samen met de reden van het ontslag,[1] zo spoedig mogelijk nadat de werkgever had ontdekt wat zij had gedaan en nadat het intern onderzoek daarnaar was afgerond. Voor dit ontslag bestond ook een ‘dringende reden’:[2] het zonder functionele reden de gegevens van twee inwoners in het BRP raadplegen. Oploo geeft dit toe maar zij vindt de sanctie onevenredig zwaar, wat voor haar disproportionele gevolgen heeft. Tijdens het raadplegen was zij psychisch in de war, stelt zij.
Ook die vlieger gaat niet op. Ja, er waren privéomstandigheden maar Oploo zag haar werk ook als een aangename afleiding daarvan. Het neuzen in de BRP is misbruik van een ambtsbevoegdheid en vormt een grote inbreuk op de integriteit die van een ambtenaar van de burgerlijke stand mag worden verwacht. Daarmee heeft zij de eis van goed ambtenaarschap geschonden. Dan kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig. De lange staat van dienst van Oploo (22 jaar) en het feit dat het ontslag voor haar grote financiële en persoonlijke gevolgen heeft, veranderen de kantonrechter niet van mening. Een billijke vergoeding zit er dan ook niet in.
Wel krijgt Oploo een transitievergoeding, waar zij ook om had gevraagd. Die hoeft een werkgever niet te betalen als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer.[3] De kantonrechter (uitspraak 1 april 2026) vindt het handelen van Oploo verwijtbaar maar niet ernstig verwijtbaar. Oploo snuffelde in de BRP toen zij vanwege privéomstandigheden emotioneel zwaar in de knoei zat. Ze was labiel, boos en radeloos. Ze lag in een scheiding die steeds heftiger werd. In het rapport van de huisarts staat dat zij negen maanden door haar ex is voorgelogen. Dat leidde tot ruzies en alcoholgebruik. Ze ontdekte in de telefoon van haar ex dat hij veel contact had met een vrouw. Iedereen in Oploo’s kring wist dat die ex een relatie had, niemand had haar dat verteld, waardoor zij heeft gebroken met haar vrienden. De huisarts spreekt van ‘paniek bij scheiding’ en verwijst Oploo door naar een psycholoog omdat ze haar huwelijk maar moeilijk kan loslaten en niet kan omgaan met het vreemdgaan door haar ex.
Wie was zijn nieuwe vriendin? De vrouw wiens gegevens Oploo heeft opgezocht in de BRP. Met die gegevens deed ze overigens niets en achteraf begrijpt ze ook niet waarom ze meermaals dezelfde gegevens heeft bekeken. Hoewel Oploo beter had moeten weten, zijn haar handelingen niet ernstig verwijtbaar. De gemeente moet Oploo de transitievergoeding betalen (€ 37.198 bruto). Haar baan is ze kwijt.

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBOBR:2026:2060
Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 9, 20 mei 2026.


[1] Art.677 lid 1 BW.
[2] Art. 7:678 BW.
[3] Artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW.

Ambtenaar licht zijn gemeente op met grondtransactie en krijgt daarvoor een taakstraf

Met trucjes en leugens wist een Zandvoortse ambtenaar de gemeente te bewegen grond te verkopen, ver onder de marktprijs, en waarbij hijzelf en zijn moeder voordeel zouden hebben. Waarom hoeft hij voor deze oplichting niet te zitten?

© Michel Knapen

Zo bont als Kevin Westduin* (1988) het maakte zie je niet veel. Het leek hem ook gemakkelijk af te gaan. Totdat werd ontdekt wat hij als ambtenaar van de gemeente Zandvoort óók deed, naast zijn gebruikelijke taken. Nu hangt hij.
Het lukte Westduin om aan het bestemmingsplan van Bentveld, een dorp in Zandvoort, flink te rommelen. Hij liet een perceel grond met de bestemming ‘groen’ wijzigen in de bestemming ‘wonen en tuin’. Vervolgens verkocht hij dit perceel, namens de gemeente, voor een prijs ver onder de marktwaarde. De koper: zijn eigen moeder. Daarvoor maakte Westduin gebruik van valselijk opgemaakte volmachten en een dito koopovereenkomst, beleidsnotitie, raadsstuk en mailadres. Met trucjes en leugens wist hij collega’s te misleiden en de gemeente te bewegen die grond te verkopen. Die grondtransactie (‘om niet of voor een symbolisch bedrag’) was zogenaamd bedoeld om tegemoet te komen aan bezwaren van buurtbewoners tegen woningontwikkelingen. Anderhalf jaar wist Westduin dit alles te verdoezelen, tot een oplettende collega erachter kwam.
Wat het Openbaar Ministerie betreft wordt deze valsheid en geschrift en oplichting, zeker begaan door een ambtenaar, zwaar gestraft. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bijkomende straf: ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van het beroep (juridisch) adviseur bij overheidsinstellingen, gedurende vijf jaar. De advocaat van Westduin vindt, gezien diens persoonlijke omstandigheden en zijn proceshouding, een geldboete passender. Ook omdat hij verder geen strafblad heeft. Niet de bak in: zonder werk kan hij de alimentatie voor zijn ex niet betalen en in het gevang kan hij zijn dochter nauwelijks meer zien.
De rechtbank tilt er zwaar aan dat Westduin zijn positie heeft misbruikt voor persoonlijk voordeel, daardoor het door de gemeente en de samenleving in hem gestelde vertrouwen heeft beschaamd en zo het imago van de overheid heeft aangetast. Het centrale gezag moet kunnen vertrouwen op de loyaliteit en betrouwbaarheid van de eigen ambtenaren.
Op het moment van levering had het perceel – dus met bestemming ‘wonen en tuin’ – een waarde van € 330.000. Westduin liet het door de gemeente aan zijn moeder verkopen voor € 15.000 en zou dus € 315.000 in zijn zak kunnen steken. Daarbij hoort volgens afspraken die strafrechters onderling zijn overeengekomen een gevangenisstraf van tussen de één en anderhalf jaar. Maar in dit geval is het voordeel niet gerealiseerd omdat de kadastrale inmeting vastliep, waardoor de oplichting en de valsheid in geschrift werden ontdekt. Westduin kreeg niet de kans te ‘genieten’ van zijn (ruim) drie ton. Het perceel is inmiddels teruggeleverd aan de gemeente, Westduin heeft een deel van de kosten die de gemeente heeft gemaakt al vergoed (€ 43.493).
Westduin komt er vanaf met een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, met een proeftijd van twee jaar. Een beroepsverbod is volgens de rechtbank (uitspraak 2 april 2026) niet noodzakelijk. Westduin zal geen Verklaring Omtrent het Gedrag kunnen krijgen en zonder VOG kan hij niet meer als ambtenaar aan de slag. Voert hij zijn taakstraf niet goed uit, dan moet hij alsnog 120 dagen zitten.

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBNHO:2026:3479

Gepubliceerd in: Binnenlands Bestuur 8, 6 mei 2026.

Jonge sociaal advocaten tevreden over inkomen en impact die ze hebben

De sociale advocatuur is voor veel jonge juristen geen vanzelfsprekende keuze. Op de universiteit is er weinig aandacht voor en het beeld is dat het werk in de sociale advocatuur eenvoudig is en dat je er een hongerloontje voor krijgt. Klopt allemaal niet, zeggen drie jonge sociaal advocaten in koor. Zij hebben bewust voor deze richting gekozen.

© Michel Knapen

Ze zijn er nog: jonge juristen die bewust kiezen voor de sociale advocatuur. Die niet vallen voor de (vermeende) glamour van de Zuidas, voor een tijdelijk verblijf in de VS of voor fijne bonussen. Neem Merve Cizrelioglu, die het belangrijk vindt dat je als advocaat ook een maatschappelijke rol hebt. “Daarbij kun je kwetsbare groepen bijstaan, zoals mensen met een minder dikke portemonnee .” Of neem Lianne Hooijmans, die het gewoon ‘fijn’ vindt om heel concreet mensen te kunnen helpen in een ‘inhoudelijk uitdagende’ werkomgeving. Want juist dát is de sociale advocatuur, zeggen ze.

Vrij onzichtbaar
Op zijn Amsterdamse (sociaal) advocatenkantoor AK Oost moet Sil van den Hoven tot zijn spijt toegeven: sociale rechtshulp leefde niet echt tijdens zijn studie aan de UvA. “De Zuidaskantoren maken veel reclame, ze strooien met snoepreisjes en sponsoren studieverenigingen. De sociale advocatuur was daar vrij onzichtbaar. Rechtenstudenten kiezen daarom eerder voor een snuffelstage bij een groot kantoor dan bij een sociaal kantoor.” Die laatste hebben ook minder middelen om te werven, is Van den Hovens ervaring. Willen sociaal advocatenkantoren echt meer kandidaten trekken, dan moeten ze op universiteiten zichtbaarder zijn, zo wil hij maar zeggen.

Niks afgeroomd
De ervaring van Lianne Hooijmans is niet anders. “Als de sociale advocatuur al ter sprake kwam tijdens mijn studie aan de UvA, was het: hard werken voor een hongerloontje. En juridisch inhoudelijk zou het ook al niet zijn: je bent vooral coach van mensen die het moeilijk hebben – dat was het beeld. Hard werken, dat klopt. Maar ik ben zelfstandig ondernemer en kan sturen op mijn omzet. Dan kun je prima verdienen, juist als je jong bent. Er wordt niks afgeroomd door en voor partners zoals collega-advocaten in loondienst overkomt bij commerciële kantoren.” Hooijmans is nu twee jaar advocaat bij Advocatenkantoor de Binnenstad (Amsterdam). Een maatschap – “toen ik solliciteerde wist ik niet dat ik ondernemer zou worden”.

Direct contact met cliënten
Merve Cizrelioglu is net als Hooijmans twee jaar advocaat. Ook tijdens haar studie (VU) was er niet veel aandacht voor de sociale advocatuur. “De universiteit ligt dichtbij de Zuidas, dus de focus lag op de commerciële advocatuur. Daar heeft mijn interesse nooit gelegen. Als advocaat wil ik juist in contact komen met mensen en hen kunnen helpen ” Als de faculteit meer rechtenstudenten in contact had gebracht met de sociale advocatuur, dan hadden meer mensen daarvoor gekozen, zo vermoedt Cizrelioglu. “Tijdens je studie krijg je een beeld van wat een advocaat doet. Feitelijk is dat het werk van een sociaal advocaat: je behandelt je eigen zaken, hebt direct contact met cliënten en staat regelmatig in de rechtszaal. Dat verschilt sterk van het werk op een groot kantoor, waar je je bezighoudt met het schrijven van stukken over bijvoorbeeld fusies en overnames. Dat is vooral advieswerk. Het directe cliëntencontact is beperkt, je zit voornamelijk aan de onderhandelingstafel en komt niet vaak in de zittingszaal.’’

Gladde jongens
Sil van den Hoven kwam via een andere route terecht in de sociale rechtshulp. Na de middelbare school studeerde hij geschiedenis. “Dat was heel idealistisch en links maar het bood geen handvatten om daadwerkelijk iets te veranderen. In 2020 zag ik de documentaire De laatste sociaal advocaten, over een advocatencollectief in Rotterdam. Daarna ben ik rechten gaan studeren en koos toen bewust voor deze afslag.” Als kind wilde hij al advocaat worden maar dacht toen ook: dit is iets voor gladde jongens met netwerken in de commerciële wereld. “Dat paste niet bij mij. Sociaal advocaten gaan op een gelijkwaardige manier om met cliënten. Dat sprak mij wel aan.” Tijdens zijn studie specialiseerde hij zich in het bestuurs- en sociaal-zekerheidsrecht. Na een korte periode bij de FNV stapte hij over naar het Amsterdamse Advokatenkollektief Oost, eerst als medewerker financiële administratie, in februari 2026 volgde zijn beëdiging.

Goed inkomen
Van vooroordelen – ‘soft en simpel’ – wil hij niet weten, het werk noemt hij ‘intellectueel erg uitdagend’. “Hoe zorg je ervoor dat iemand die niet zelfredzaam is, wel de juiste stukken verzamelt voor een aanvraag voor een uitkering? Ik doe echt betekenisvol werk. En ik ben ondernemer en mag dus mijn praktijk zelf vormgeven. Zoveel mogelijk uren schrijven is voor mijn patroon op dit moment minder belangrijk. Maar ook als sociaal advocaat kun je een goed inkomen verdienen. Het duurt alleen misschien wat langer.”

Impact
Cizrelioglu realiseert zich dat de verdiensten lager kunnen liggen dan in de commerciële advocatuur. “Maar mijn werk geeft me inhoudelijk veel: autonomie, mijn eigen zaken, direct contact met cliënten, impact. Dit alles weegt voor mij zwaarder dan het financiële aspect. Ik heb bewust gekozen voor hulp aan kwetsbare groepen. Dan lever ik maar iets in.” Zij ziet zichzelf niet snel de overstap maken naar de commerciële advocatuur. “Ik voel me hier echt op mijn plek.”

Normale mensen
Ook Lianne Hooijmans bestrijdt het negatieve imago rondom de sociale advocatuur. “Je kunt er een prima boterham mee verdienen, vooral als je jong bent. In mijn kantoor hebben bijna alle advocaten een koophuis, dat zegt wel iets. Ik werk in een gelijkwaardige maatschap en heb veel vrijheid. Mijn werk doet ertoe. De keerzijde: je moet wel houden van die verantwoordelijkheid.”Op dit moment doet Hooijmans regulier vreemdelingenrecht. Hiervoor werkte zij als juridisch adviseur bij Vluchtelingenwerk maar daar miste zij het contact met mensen. Ze stapte over naar de advocatuur en koos bewust voor een sociaal kantoor. “Eigenlijk had ik niet zo’n hoge pet op van advocaten. Ik vond ze glad, afstandelijk, duur en weinig maatschappelijk betrokken. Dat beeld had ik opgedaan tijdens mijn studie. Dat er ook een sociale advocatuur was, realiseerde ik mij pas toen ik bij Vluchtelingenwerk met advocaten ging werken. Toen dacht ik: advocaten zijn heel normale mensen.”

Onbekend terrein
Merve Cizrelioglu zit nu twee jaar bij Sociaal Advocaten Rotterdam, waar ze zich bezighoudt met familierecht en vreemdelingenrecht, binnenkort komt daar asielrecht bij. In de beroepsopleiding is zij de enige sociaal advocaat in haar groep, de anderen werken bij middelgrote of grote kantoren. “Zij tonen veel interesse in mijn werk. Voor hen is dit wel onbekend terrein. Ik hoor gelukkig ook wel eens: ik zit nu twee jaar bij een commercieel kantoor, misschien stap ik ooit over op de sociale advocatuur.”

Knop omzetten
En niet omdat het werk ‘relaxter’ is dan bij de grote kantoren, wat ook wel eens wordt gedacht. Cizrelioglu: “Hier gaat de deur echt niet om vijf uur dicht. We hebben te maken met een bijzondere cliëntengroep, wat andere kwaliteiten van je vraagt. Er komt veel emotie bij kijken en vaak is er ook sprake van multiproblematiek. . Je bent ook in gesprek met het wijkteam, met de schuldhulpverlener, met allemaal andere maatschappelijke organisaties of de gemeente. Eenmaal thuis kan zo’n zaak echt in je hoofd gaan zitten, de knop omzetten kan dan soms lastig zijn. Daardoor is de werkdruk niet anders dan in de commerciële advocatuur.”

Juiste keuze
Lianne Hooijmans hoort wel eens van voormalige medestudenten: “‘Jij zit in de sociale advocatuur? Wat goed zeg!’ Dan voel ik: ik heb de juiste keuze gemaakt.”

Gepubliceerd op Mr. online, 5 mei 2026.

Julien Luscuere: ‘Sociaal advocaten hoeven heus niet op houtje te bijten’

Uitstapjes genoeg, maar steeds komt advocaat Julien Luscuere terug bij de individuele belangenbehartiging: cliënten bijstaan, heel vaak arbeidsmigranten. In de moeilijke wereld van de sociale advocatuur voelt hij zich thuis. ‘Ik proef wel dedain voor ons vak.’

© Michel Knapen

Een kantoorgebouw in de steigers. Het beeld begint onderaan, de camera gaat omhoog en beweegt zich over een etage waarop bouwvakkers leidingen leggen en beton storten. De zijkant van het gebouw komt in beeld, de achterkant – alles gefilmd met een drone. Aan de knoppen zit, veilig op de grond, Julien Luscuere. Een advocaat die niet in het bouwrecht zit, zoals de beelden mogelijk suggereren.
Wel in het migratierecht. Dit is dan ook niet zomaar een bouwtoren die hij filmt. Hier werkt een cliënt, een groot Turks-Roemeens bouwbedrijf dat arbeids- en kennismigranten in dienst heeft.
Luscuere doet de juridische afwikkeling daarvan. Hij treft zijn cliënten liever op locatie (zoals een bouwplaats), want dat geeft hem betere informatie over hoe hij visa en werkvergunningen kan regelen. De dronevideo is uiteindelijk een cadeautje voor deze cliënt.
Zijn Rotterdamse kantoor Luscuere Wernsing Advocaten (drie advocaten) is ‘gemengd’: toevoegingen én betaalde
opdrachten. Cliënten zijn werkgevers die te maken hebben met expats, kennis-, arbeids- en andere migranten, en werknemers die een verblijfsvergunning nodig hebben of familie willen laten overkomen. Dit soort klussen heeft het kantoor gedaan voor meer dan 165 nationaliteiten.
Deels bevindt Luscuere zich in de sociale advocatuur en graag wil hij de vooroordelen wegnemen die rond zijn werk kleven, zegt hij. De sociale advocatuur is ruim 25 jaar zijn forte. Hij doet dit niet alleen vanuit morele principes. ‘Ook vanuit de notie dat je alleen een sterke samenleving en een sterke economie kunt bouwen als die niet van oneerlijkheid uit elkaar vallen. Dat is ook in het belang van mensen die wat rechtser in het politieke spectrum staan.’

Persoonlijke communicatie
Sociale advocatuur heeft ook een ander imago: dat zaken niet zo ingewikkeld zijn. Een huurkwestie is toch wat anders dan het ‘echte’ werk, zoals omvangrijke fusies en overnames waar de Zuidas in grossiert. Het is het type werk waarvan de politiek zegt: als de grote kantoren nou eens tien procent van hun zaken op toevoegingsbasis doen, dan is het probleem van de sociale advocatuur opgelost.
Dáár kan Luscuere goed kwaad om worden. ‘Ik doe beide en weet dus dat werken als sociaal advocaat een totaal andere dynamiek kent. In Den Haag denken ze: je bent jurist en hebt dus hetzelfde gereedschap. Heel storend, die beeldvorming. Negentig procent van mijn werk is communicatie. Praat je met een arbeidsmigrant, dan heb je een totaal andere toolkit nodig dan als je praat met iemand op HR-niveau die verantwoording moet afleggen aan de directie. Heb je als advocatenkantoor alleen maar het MKB of het grootbedrijf als cliënt gehad, dan gaat het je niet lukken om toevoegingsklanten met dezelfde instelling en kwaliteit bij te staan.’
Als een cliënt tegen een sociaal advocaat zegt dat hij zijn mail niet goed begrijpt, dan snapt die: dit is een codewoord voor laaggeletterdheid. ‘Een commercieel advocaat gaat die mail nog eens voorlezen, maar mist dat dit de cliënt structureel niet verder helpt. Persoonlijke communicatie is nodig om in te schatten wat er is gebeurd. Doe je dat in het begin intensief en uitnodigend, dan gaat de zaak daarna zo veel makkelijker en zie je je client echt groeien.’ Daarom zie je Luscuere op bouwplaatsen of bij de daklozenopvang in de Pauluskerk – tot vorige zomer de directe buurman van Luscueres vorige kantoor. Maar ook ontvangt hij cliënten in zijn eigen kantoor: zo ingericht dat ‘iedereen’ er zich thuis voelt. Geen glazen paleis, wel naoorlogse bouw die begint op te raken en over enkele jaren tegen de vlakte gaat.
De Haagse instelling stoort hem ook om een andere reden: er gaat een soort dedain vanuit. ‘De sociaal advocaat moet worden gekoppeld aan een advocaat van een groot kantoor, alsof de grote broer op zijn knieën gaat om dat kleine ventje of meisje te helpen. Ik zeg dan – sorry voor het woordgebruik – fuck you!, weet je wel hoe ingewikkeld ons werk is? Ga maar eens het gesprek aan met cliënten over hun armoede, laaggeletterdheid, opleidingsachterstanden en cultuurverschillen. Of met mensen die bang zijn hun verblijfsvergunning te verliezen en daarom niet klagen als ze worden onderbetaald. Gelukkig kan iedere advocaat dit vak leren. Ik zeg: dóé dat dan ook, het is ontzettend mooi als je iemand in de penarie helpt naar herstel en groei.’

Te ‘aktivisties’
Het was de Amerikaanse tv-serie LA Law die Luscuere eind jaren tachtig richting rechtenstudie voerde. Machtig mooi vond hij dat werk op advocatenkantoren, binnen één aflevering werd de zaak opgelost met een sprankelend pleidooi. Op de universiteit volgt hij vooral avondcolleges, om de massaliteit te ontlopen – een beslissend moment in zijn leven, zegt hij. Tijdens zo’n avondcollege staat er een informatiekraam van de rechtswinkel. Het tweede deel van het college laat hij schieten, hij meldt zich aan en werkt vervolgens zijn gehele studie als vrijwilliger bij de rechtswinkel, twintig, dertig uur per week. Huurrecht, arbeidsrecht, jeugdrecht, sociale zekerheid, consumentenrecht, alles passeert de revue en legt bij Luscuere de basis als sociaal advocaat.Na zijn studie wil hij dit voortzetten bij het Advokatenkollektief Rotterdam, maar wordt niet aangenomen. Ze vinden Luscuere te idealistisch, ‘te aktivisties’, ze willen vooral praktische dienstverleners. Na gewerkt te hebben als docent op hbo’s en als beleidsmedewerker bij de Haagse overheid vindt hij ­alsnog een baan in de sociale advocatuur, ook ­omdat hij zichzelf inmiddels omschrijft als een ‘luie activist’ die urgentie van problemen bij de mensen zelf moet zien voordat hij in beweging komt. En ‘te eigenwijs’ om als advocaat in loondienst te functioneren: in 2005 begint hij voor zichzelf, binnen een kostenmaatschap. Dat vindt hij voor een sociaal kantoor dé ideale vorm: contacten met collega’s, ideeën uitwisselen, kritiek organiseren. Wat hem zelf die goeie sociaal advocaat maakt, vindt hij: de interesse om in korte tijd echt een band op te bouwen met mensen, zodat je inzicht krijgt in hun angsten en dromen. In Rotterdam zijn dat vooral arbeidsmigranten.Dat hij in die hoek terechtkwam, is wel weer een toevalligheid. In 2000 begint Luscuere bij Advocatenkollektief Vreewijk. Een ervaren collega zit met een burn-out thuis, of Luscuere wat zaken – gezinshereniging, intrekking van verblijfsvergunningen, naturalisaties – wil overnemen. Die zaken fascineren hem zo dat hij na een paar jaar het familierecht volledig inruilt voor het vreemdelingenrecht. ‘Binnen het arbeidsmigratierecht vind je altijd wel ergens een slijptol, boormachine of zaag die je kunt gebruiken om iets te forceren. Tegen cliënten zeg ik vaak: het is niet een kwestie of het gaat lukken, maar wanneer.’ Dat levert geen topsalaris op (‘ik hoef geen tweede huis of dikke auto’), maar een inkomen vergelijkbaar met dat van een overheidsjurist of rechter. ‘Als je het goed organiseert, hoef je als sociaal advocaat heus niet op een houtje te bijten. Te vaak beginnen jonge sociaal advocaten voor zichzelf. Eigen toko, brede praktijk. Je bent de beste vriend van jezelf en je geeft jezelf steeds gelijk. Maar zo erodeert de jurist in je. Richt je op een klein deelgebied en wordt daar steengoed in’, luidt zijn advies.

U noemt uzelf op LinkedIn ook ‘legal innovator’ en ‘changemaker’. Wat bedoelt u daarmee?
‘Als ik het zo hoor klinkt het wel pretentieus. Het is in elk geval mijn ambitie sinds de afgelopen vijf jaar. Misstanden blootleggen, precedenten creëren. Eventueel met collectieve acties, als het de zaak zelf maar overstijgt. Zo heb ik regelmatig met de IND contact over zaaksoverstijgende kwesties, dat had ik ook al toen ik voorzitter was van de specialistenvereniging voor migratierechtadvocaten. Overheidsinstellingen hebben een aangeboren vooringenomen-
heid, ze houden informatie van burgers af en pakken door zonder echt te luisteren omdat dit anders hun overzicht en de interne processen verstoort. Dat zie je veel in het migratierecht. Maar met de IND, toch mijn natuurlijke tegenstander, heb ik tegenwoordig een echte dialoog. In het vreemdelingenrecht worden de belangen vaak gepolariseerd, maar je kunt beter zoeken waar voor beide kanten de winst ligt. Als ‘changemaker’
probeer ik te komen tot een paradigmashift. Mensen moeten niet te lang gevangen blijven in hun eigen gelijk. Het is
beter om samen op te trekken, zeker waar je hetzelfde wilt bevorderen, zoals het welzijn van arbeidsmigranten. Maar dat vergt wel veel aandacht en tijd: contact zoeken met ambtenaren, hoogleraren en maatschappelijke instellingen,
en ook notities schrijven en subsidies aanvragen. Maar anders dan met een enkele zaak levert dit een veel hoger rendement op.’

Dat is niet uw natuurlijke werk als advocaat.
‘Klopt, maar iemand moet het doen, en ik was daar na twintig jaar pleisters plakken en spoedoperaties ook wel aan toe. En het is fijn dat docenten, sociaal raadslieden en maatschappelijk werkers met algemene vragen je weten te vinden en je hen pro deo heel snel verder kunt helpen. Maar uiteraard moet er balans zijn in de opbrengsten, dus met evenveel plezier geef ik advies en begeleiding aan bedrijven en instellingen.’

Juridische gereedschapskist
Bij Luscuere staat de mens achter de cliënt centraal, altijd. ‘Ik begeleid regelmatig zorginstellingen die verpleegkundigen uit Azië halen om tekorten in onze zorg op te lossen. Juridisch lastig, maar wel te doen en de werkgever is er blij mee. Maar míjn vraag is dan óók: wie zijn de mensen achter deze functies? Sommigen willen hier een paar jaar werken en gaan dan terug. Anderen hadden een verschrikkelijke tijd in hun herkomstland en willen per se weg, waarnaartoe maakt niet uit. Weer anderen hebben niets met de zorg, maar weten wel dat ze daardoor makkelijk een baan vinden. Als je dat vooraf niet goed in kaart brengt, en daar geen oog voor hebt als ze in Workum ouderen verzorgen, kan die inzet heel teleurstellend uitpakken, wat er ook in je juridische gereedschapskist zit.’

Dan zijn er zorgmedewerkers hier die nuttig werk kunnen doen, en komt u met die vragen. Een beetje de party pooper, de jurist die de psycholoog wil uithangen?
‘Ik snap die vraag. Maar de meesten waarderen wel hoe wij de brede ervaring van andere cliënten delen. Je probeert elke klant mee te nemen, ook door te vragen: waarom doe je iets? We behoeden ze voor een hoop turbulentie door trajecten goed voor te bereiden. We houden nadrukkelijk rekening met de menselijke kant achter arbeidsmigratie. Op de lange duur levert die benadering veel meer op. Als je dit soort kwesties puur juridisch bekijkt – checklist aflopen, formulieren invullen, voorwaarden afvinken – dan blijft het ­tweedimensionaal en zou ik mijn werk helemaal niet leuk vinden. Dat zou je met ChatGPT ook kunnen. Dit is niet voor niets sterk ontwikkeld in de sociale advocatuur: de gerichtheid op de menselijke factor.’

Hollywoodmoment
Zo gaat hij ook met cliënten naar een zitting. ‘Voor hen voelt dat toch als het moment van de waarheid. Er hangt zoveel vanaf. Dus moet je hen goed voorbereiden, ook dat ze weten dat ze aan het eind van de zitting nog iets kunnen toelichten. Dat heb ik bij anderen vaak de mist in zien gaan. De een kijkt als een konijn in de koplampen, de ander gaat huilen, een derde doet boos op de IND. Ik zoek met cliënten naar hun Hollywoodmoment: hoe bouw je jóúw verhaal op en geef je de rechter net dat extra zetje naar een goede uitkomst? Als je je cliënt later complimenteert over zijn inzet, zie je hem helemaal groeien. Ook zij zijn onderdeel van het succes.’

Welk Hollywoodmoment heeft uzelf richting de Raad voor Rechtsbijstand?
‘De Raad heeft mede als taak goed uit te leggen hoe de gefinancierde rechtsbijstand werkt en voor wie die werkt. De teksten op hun website staan op havoniveau, Nederlands vol jargon, zonder enige vertaling, zelfs niet in het Engels. Veel te ambtelijke taal voor mensen die in aanmerking komen voor een pro deo-advocaat. Mijn hele professionele leven moet ik aan buitenlandse cliënten uitleggen dat zij daar óók een beroep op kunnen doen. Niet de Nederlandse nationaliteit? Geen verblijfsvergunning? Je bent hier pas kort? Maakt allemaal niet uit. Ik heb meerdere keren bij de Raad voor Rechtsbijstand aangekaart dat ze dit verhaal in meerdere talen op hun website zetten. Acht jaar geleden al. Maar niks. Daarom heb ik zelf een infographic gemaakt om het cliënten uit te leggen, in twaalf talen, inclusief het plat Rotterdams en het Maastreechs.’

Waarom doet de Raad dit niet? Zit daar iets achter?
‘Dat vraag ik me ook af. Gefinancierde rechtsbijstand wordt kennelijk aangeboden als een Nederlands privilege. Het maakt me ziedend als ik merk dat gedupeerde arbeidsmigranten geen advocaat willen inschakelen, omdat ze bang zijn dat dit veel geld kost. Of erger: ze denken dat de gesubsidieerde advocaat met de overheid samenwerkt en ze extra in de problemen brengt. Maar hoe moeilijk is het tegenwoordig een tekst te maken in simpel Nederlands en daarna in meerdere talen? Voor een nieuwe huisstijl had de Raad wel geld.’

Opvallend: u bood in uw kantoor een tijd onderdak aan de Rechtswinkel en aan ONSbank.
‘ONSbank richt zich op schuldhulpverlening, maar met een groepsgerichte aanpak. Ze houden creatieve sessies – posters maken, spoken word en andere theatervormen – maar boksen kan ook. Bedoeling is dat jongeren weer een beetje lol en zelfvertrouwen krijgen nu ze in de financiële shit zitten en moeilijk ingang hebben bij de reguliere schuldhulpverlening – daar werken ze met wachtlijsten. ONSbank heeft ook een netwerk van schuldhulpcoaches, mensen uit de deurwaarderij, grote bedrijven of van banken. Dat dit stukje ‘Zuidas’ zich ook wil inzetten voor die jongeren was voor mij een prachtige verrassing. En misschien ook weer niet: iedereen haalt uit de begeleiding van deze overleveraars veel energie.’

Cirkel rond
Voor de Rechtswinkel had de Rotterdamse campus een paar jaar geen plaats en Luscuere’s kantoor had toevallig een kamer over. Het maakte voor hem ook de cirkel rond. ‘Maar ik vond het moeilijk te zien dat de huidige studenten veel minder tijd kunnen of willen stoppen in de rechtshulpverlening. Ook de motieven zijn uit elkaar gaan lopen. ­ommigen toonden nauwelijks belangstelling en kwamen alleen om hun cv op te poetsen, voor anderen is de Rechtswinkel vooral een alternatieve studentenvereniging in plaats van een plek waar je voor de cliënten écht iets kunt betekenen. De meesten stromen na hun studie door naar de zakelijke dienstverlening. Dat is niet alleen de tijdgeest, maar ook het resultaat van de scholing: de Erasmus Universiteit bekommerde zich lange tijd te weinig om de rechten van zwakkeren in de samenleving, de huurders, uitkeringsgerechtigden, vreemdelingen en consumenten. Men richtte zich enkel en alleen op het faciliteren van ondernemingen. Die man daar – Luscuere wijst naar het standbeeld van Erasmus op het plein achter zijn kantoor – draaide zich om in zijn graf.’Ook als studenten wel doorstromen naar de sociale advocatuur is dat geen garantie dat zij daar blijven. De kosten zijn voor de kleine sociale kantoren, de opbrengsten voor de glazen paleizen, zegt Luscuere. ‘Kleine kantoren mogen blij zijn als ze drie jaar blijven. Het eerste jaar investeer je in een advocaat, wat tegenwoordig kan oplopen tot vijftigduizend euro, in het tweede jaar speel je misschien break even, in het derde jaar verdien je mogelijk wat terug. Het is ook niet erg áls iemand vertrekt, want ik ben zelf ook een paar keer gewisseld van kantoor, maar ik hoop wel dat hij of zij in de sociale advocatuur blijft. Dan komt die investering elders tenminste nog goed terecht: bij cliënten die dat het hardst nodig hebben.’

Wie is Julien Luscuere?
Julien Luscuere (1971, Berkel en Rodenrijs) studeerde rechten in Leiden (propedeuse) en aan de Erasmus Universiteit (doctoraal). Gedurende zijn studententijd (1990-1996) was hij vrijwilliger bij de Rotterdamse rechtswinkel. Na zijn studie was hij tweeënhalf jaar beleidsmedewerker ICT-recht bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarna werd hij advocaat, bij verschillende kantoren. Op dit moment is hij partner bij Luscuere Wernsing Advocaten in Rotterdam. Hij was bijna zeven jaar secretaris van de Stichting Migratierecht Nederland en ruim negen jaar bestuurslid, waarvan drie jaar voorzitter, van de SVMA, de specialistenvereniging migratierechtadvocaten. In zijn vrije tijd houdt Julien Luscuere zich bezig met bakken, fotografie, videografie (ook met drones) en het repareren van kapotte apparaten. Het waarderen van de kunsten heeft hij geleerd van zijn vrouw die galeriehouder en kunstenaar is. Samen hebben ze drie kinderen.

Gepubliceerd in: Mr. 2, april 2026.

Geen huurtoeslag? Dan ook geen bijzondere bijstand voor huurkosten

Een Rotterdamse bewoner van een onzelfstandige woonruimte kan zijn huurlasten niet betalen. Huurtoeslag krijgt hij niet, dus vraagt hij daarvoor bijstand aan. Tevergeefs.

© Michel Knapen

Wie een zelfstandige woonruimte heeft, kan aanspraak maken op huurtoeslag. Bij een onzelfstandige woonruimte – denk aan een studentenkamer, waarbij de keuken, toilet en badkamer met andere bewoners worden gedeeld – geldt dit niet. Toch vroeg een Rotterdammer die zo woonde huurtoeslag aan. Dat kreeg hij, totdat de Belastingdienst ontdekte dat dit onterecht was verstrekt. Omdat de man zijn woonlasten zonder toeslag niet kon betalen, diende hij bij de gemeente een aanvraag in voor bijzondere bijstand: een woonkostentoeslag voor de huurkosten, vergelijkbaar met de eerder toegekende huurtoeslag.

Toereikende voorziening
Het college van Rotterdam wees de aanvraag af omdat de Wet op de huurtoeslag een ‘toereikende en  passende voorliggende voorziening’ is. Volgens het college had de wetgever er bewust voor gekozen om geen huurtoeslag te verstrekken aan huurders van onzelfstandige woonruimtes. Verlening van bijzondere bijstand via de Participatiewet zou dan het inkomensbeleid van het Rijk doorkruisen, wat niet de bedoeling is.

Maandelijks voorschot
De man gaat in beroep bij de rechtbank Rotterdam en heeft daar meer geluk. Die stelde: de wetgever wilde om praktische, uitvoeringstechnische en budgettaire overwegingen alleen bij zelfstandige woonruimtes huurtoeslag mogelijk maken. Mede gelet op de vangnetfunctie van de (bijzondere) bijstand kan er niet zonder vanuit worden gegaan dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om geen huurtoeslag toe te kennen bij onzelfstandige woonruimtes. Het college had de aanvraag van de Rotterdammer niet mogen afwijzen en moest hem maandelijks een voorschot aan woonkostentoeslag uitbetalen. Tegen dit oordeel ging het college in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Die kwam 14 april met een uitspraak, gunstig voor het college, vervelend voor de Rotterdamse huurder.

Bewuste keuze
De discussie gaat over een artikel in de Participatie wet (artikel 15, eerste lid, tweede volzin). Daarin staat dat er geen recht op bijstand is als in de Wet op de huurtoeslag een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van vergoeding van huurkosten. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet op de huurtoeslag (maar ook van de eerdere Wet individuele huursubsidie en de Huursubsidiewet) volgt dat de wetgever niet alleen om budgettaire redenen maar ook om andere redenen er bewust voor heeft gekozen om de huurkosten van onzelfstandige woonruimtes niet te vergoeden. De wetgever beschouwt onzelfstandige woonruimtes vaak van slechtere kwaliteit omdat ze geen minimale voorzieningen hebben. Door huurkosten niet te vergoeden kan huurprijsopdrijving worden voorkomen en zo bescherming worden geboden tegen onredelijke huurprijzen. Daarnaast zijn de administratieve lasten te hoog als bij de grote hoeveelheid kamerbewoning deze subsidie moet worden verstrekt. Tot slot kan subsidiëring van onzelfstandige woonruimtes niet doelmatig worden gecontroleerd, zodat er een groot risico op fraude bestaat.

Geen bijstand
Uit meerdere Kamerstukken blijkt overduidelijk dat ‘geen huursubsidie voor onzelfstandige woonruimten’ een bewuste keuze is. Dit geldt ook voor mensen met een inkomen op bijstandsniveau, voor wie juist deze wet is gemaakt. De Centrale Raad van Beroep kan zich niet voorstellen dat de wetgever niet heeft stilgestaan bij de gevolgen voor deze personen bij het niet vergoeden van hun huurkosten. De regel is: als iemand kosten heeft die via een andere regeling kunnen worden vergoed (bijvoorbeeld via de Wet op de huurtoeslag), dan gaat die regeling voor. In dat geval is er geen bijstandsverlening via de Participatiewet voor die kosten mogelijk. Het college heeft de bijstandsaanvraag van de Rotterdammer terecht afgewezen, oordeelt de Centrale Raad van Beroep. ECLI:NL:CRVB:2026:389

Gepubliceerd op: Binnenlands Bestuur online, 15 april 2026.